LII.

(GELESCHTE BLOEDDORST.)

Tomiris Cyrum slaat, en zijnen dooden kop,

(Tot wraak van haren zoon) werpt in een bloedig sop.

_Job_, 15.

De goddelooze mensch leeft altijd in bezwaren,

Ook en weet de tyran 't getal niet van zijn jaren.

't Was Cyro[282] niet genoeg, dat zijne kroon bepereld

Was met den halven kreits of ommeloop der wereld,

Hij moest in Schyten[283] nog den kloeken wapen-held,

Tomiris liefste zoon, begraven in het veld.

De moeder is bedroefd, heur oogen tranen leken[284],

Zij trekt het harnas aan om heurs zoons dood te wreken.

"O Cyre, wreed tyran! ziet, wie gij hebt getergd!"

(Zegt zij) "ik zal u biên het voorhoofd[285] in 't gebergt,

Daar gij het dorstig zand met mijnen bloede drenkten".

Zij trekt hem in 't gemoet, en slaat hem inder engten,

Met al zijn oorlogs-heer, in 't krieken vanden dag,

Dat niet een overblijft, die 't na vertellen mag.

De strijd is naauw ge-eind, of zij gaat heur verkloeken,

En onder zoo veel doôn den dooden Cyrum zoeken,

Zoo lange zij[286] hem vindt; en laat van stonden aan

Zijn bleek besturven hoofd van zijn koud lichaam slaan:

Het konings-hoofd zij neemt met eenen grammen moede,

En worpet[287] in een vat, dat vol is vanden bloede

Van zijn verslagen volk; "ligt (zegt zij) daar in 't nat,

Du[288], bloed-tyran! die nooit waart van den bloede zat."

Aldus wie bloed vergiet ('t is zoo van God besloten)

Diens bloed wordt uitgestort, en wederom vergoten.

De complete werken van Joost van Vondel. Vergelijking van de Verlossinge der Kindren Israels met de Vrijwording der Vereenigde Nederlandsche Provinciën, [etc.] · 第 81 / 105 题