(GELESCHTE BLOEDDORST.)
Tomiris Cyrum slaat, en zijnen dooden kop,
(Tot wraak van haren zoon) werpt in een bloedig sop.
_Job_, 15.
De goddelooze mensch leeft altijd in bezwaren,
Ook en weet de tyran 't getal niet van zijn jaren.
't Was Cyro[282] niet genoeg, dat zijne kroon bepereld
Was met den halven kreits of ommeloop der wereld,
Hij moest in Schyten[283] nog den kloeken wapen-held,
Tomiris liefste zoon, begraven in het veld.
De moeder is bedroefd, heur oogen tranen leken[284],
Zij trekt het harnas aan om heurs zoons dood te wreken.
"O Cyre, wreed tyran! ziet, wie gij hebt getergd!"
(Zegt zij) "ik zal u biên het voorhoofd[285] in 't gebergt,
Daar gij het dorstig zand met mijnen bloede drenkten".
Zij trekt hem in 't gemoet, en slaat hem inder engten,
Met al zijn oorlogs-heer, in 't krieken vanden dag,
Dat niet een overblijft, die 't na vertellen mag.
De strijd is naauw ge-eind, of zij gaat heur verkloeken,
En onder zoo veel doôn den dooden Cyrum zoeken,
Zoo lange zij[286] hem vindt; en laat van stonden aan
Zijn bleek besturven hoofd van zijn koud lichaam slaan:
Het konings-hoofd zij neemt met eenen grammen moede,
En worpet[287] in een vat, dat vol is vanden bloede
Van zijn verslagen volk; "ligt (zegt zij) daar in 't nat,
Du[288], bloed-tyran! die nooit waart van den bloede zat."
Aldus wie bloed vergiet ('t is zoo van God besloten)
Diens bloed wordt uitgestort, en wederom vergoten.