(SEMIRAMIS.)
Gij ziet 't gebreideld ros hier met een vrouw beladen,
Die elk verwonderd heeft met mannelijke daden.
_Judith._ 13.
Bethulia, door Gods en Judiths tegenweer,
Nam Holofernes 't hoofd, en sloeg het gansche heir.
Ziet, hoe een man'lijk hert schuilt onder vrouwenkleed'ren;
Ziet, hoe Semiramis stelt 't heer in zijn geleedren,
Ziet, hoe kloekmoedig zij, gezeten op het peerd,
Grijpt met de een hand den toom, met de ander hand het zweerd;
Hoe de afkomst van heur bloed, en koninklijken adel
Zij niet op 't bedde toont, maar op[280] den gouden zadel,
En rijst nog 's morgens vroeg, vóór 't blinken vande zon,
Als eenen bliksem op naar 't pratte Babylon;
Zij strijdt, zij overwint, zij slaat den vijand t' onder,
En, met veel wapen-roofs, keert weêr als eenen donder;
Ziet, hoe zij heur paruik[281] diep inde palmen bergt,
Hij ligt al onder voet, die heur ten strijde tergt.