(HERCULES AAN DEN TWEESPRONG.)
Terwijlen Hercles slaapt aldaar[271] hij is gelegen,
Figuurlijk hem vertoond zijn twee verscheiden wegen.
_Math._ 7.
De weg na d'eeuw'gen dood, is ruim, is wijd, en breed,
Maar enge en smal den pad, die tot den leven leedt[272].
Terwijl Alcides[273] lag, met Lethes zachte stromen
Besprenget[274] van den slaap, 's doods zuster, zag hij komen
Twee schoone nymfen, of goddinnen, met geneugt,
De een was Wellustigheid, en de ander was de Deugd:
De wellust kwam zeer zoet gelijk den morgen blozen,
De weg al waar zij liep beschilderd was met rozen,
Den ingang, die was breed: maar weêr in 't jegendeel[275]
Den uitgang naauw en scherp, vol droefheid al geheel.
De deugd, de witte deugd, door doornen en door struiken
Wees eenen engen pad, schier naauwlijks om gebruiken;
Maar, hoe men dieper zag, hoe blijder hij met lust
In 't einde mede bracht een aangename rust.
Dus stond van deze twee hem 't aldernutst te kiezen;
Die 't eene winnen wil het ander zal verliezen.