XLIX.

(HERCULES AAN DEN TWEESPRONG.)

Terwijlen Hercles slaapt aldaar[271] hij is gelegen,

Figuurlijk hem vertoond zijn twee verscheiden wegen.

_Math._ 7.

De weg na d'eeuw'gen dood, is ruim, is wijd, en breed,

Maar enge en smal den pad, die tot den leven leedt[272].

Terwijl Alcides[273] lag, met Lethes zachte stromen

Besprenget[274] van den slaap, 's doods zuster, zag hij komen

Twee schoone nymfen, of goddinnen, met geneugt,

De een was Wellustigheid, en de ander was de Deugd:

De wellust kwam zeer zoet gelijk den morgen blozen,

De weg al waar zij liep beschilderd was met rozen,

Den ingang, die was breed: maar weêr in 't jegendeel[275]

Den uitgang naauw en scherp, vol droefheid al geheel.

De deugd, de witte deugd, door doornen en door struiken

Wees eenen engen pad, schier naauwlijks om gebruiken;

Maar, hoe men dieper zag, hoe blijder hij met lust

In 't einde mede bracht een aangename rust.

Dus stond van deze twee hem 't aldernutst te kiezen;

Die 't eene winnen wil het ander zal verliezen.

De complete werken van Joost van Vondel. Vergelijking van de Verlossinge der Kindren Israels met de Vrijwording der Vereenigde Nederlandsche Provinciën, [etc.] · 第 78 / 105 题