(WIJZE KASTIJDING.)
De moeder, die de jeugd wil voor de roên verschoonen
Die schendt heur aangezicht, en worgt[265] heur eigen zonen.
_Eccles._ 30.
Die zijnen zone lieft, hem matig zal kastijden,
Op dat hij in den dag der oudheid[266] mag verblijden.
Eer de misdadige zal door een ken'pen[267] venster
Aanschouwen van het licht den laatsten straal of glenster[268],
Hij zijne moeder kust, en rooft voor 't hoog gericht
Met zijne tanden heur den neus van 't aangezicht:
"Omstanders!" (zegt hij) "hoort, want[269] d'oorzaak van mijn lijden
Mijn eigen moeder is, vermids zij met kastijden
Nooit mijnen kwaden aard getemd heeft voor den val,
Zij altijd na mijn dood (tot ieders spiegel) zal
Dit teeken voeren, op dat andere ouders leeren
Hun kind'ren op te voên in alle tucht des Heeren."
De moeder, die heur kind niet in de jonkheid temt,
Van een recht moeders hert is t' eenemaal vervremd:
Dit 't kind geeft lossen toom in alle zijn wellusten,
Zal met der tijd allengs een monsterdier toerusten:
De stramen[270] in den neers van een kwaad kind gewis
Het recht merkteeken van een goede moeder is,
Die heuren zoon bemint, op dat, na al heur slaven,
Zij niet een galgen-aas gevoed heeft voor de raven.