XLV.

(ZWIJGEN.)

De wijze Solon (om 't veel spreken te vermijden)

Ging met een scherpe vlim zijn eigen tong afsnijden;

Men vraagde hem, waarom? hij schreef: omdat veel kwaad

De tong ooit[248] heeft gewracht[249], en 't zwijgen nooit geschaad.

O jonkheid! luistert toe, het dient u zonderlingen,

Om leeren uwe tong van veel geklaps bedwingen.

Wel-spreken is een deugd, wel-zwijgen ook een konst,

Die hier de mate in treft verkrijgt een groote gonst.

Natuur, zorgvuldig om ons hierin te versterken,

Heeft onzen mond verzorgd met dobb'le bollewerken,

Opdat de losse tong niet licht uitbarsten mocht

Met eenig schandlijk woord, dat boven in de locht

Als eenen vogel stijgt, en, als het is ontvlogen,

Niet licht'lijk wederom kan werden[250] ingetogen:

Dat ik ooit stille zweeg, mij nooit en heeft berouwd,

Maar wel dat ik te veel geklapt hebbe en gekout[251]:

De Heidenen, die steeds hier inne vlijtig leerden,

Harpocratem als God des stillezwijgens eerden,

Die met den vinger op den mond hun onderwees,

Inhoudende de stem, het zwijgen elk aanprees.

Pythagoras snijdt ook, als met een vlimme of messe,

Het vele sprekens af, als hij, voor de eerste lesse,

De jeugd vijf jaren lang leert zwijgen en verstaan;

't Is noodig, dat wij nog bij hem ter scholen[252] gaan;

Want zedig stilgezwijg, en niet het vele spreken,

Dat zie ik alle dag ons allen nog ontbreken.

De complete werken van Joost van Vondel. Vergelijking van de Verlossinge der Kindren Israels met de Vrijwording der Vereenigde Nederlandsche Provinciën, [etc.] · 第 74 / 105 题