(DE TONG.)
De tong het kleinste lid (zoo Bias eens beveste[242]
Voor den Egyptschen prince) is't kwaadste, en ook het beste.
_Proverb._ 18.
Het leven en de dood, die liggen onbedwongen,
Vrijwillig in 't geweld en in de macht der tongen[243].
De koning en monarch der oude Egyptenaren
Tot Biam Brutum zand[244], op dat hij zou verklaren,
Welk doch van alle ding hem 't slimste en 't beste docht?
Zijn antwoord was: een tong, die hij den koning brocht.
Dit heeft Æsopus ook bevestigd, als de wijze:
Toen zijne meester hem de beste en slimste spijze
Hiet[245] koopen op de markt, hij bracht hem tongen t'huis;
Den meester werd vergramd en zeide: bij gans[246] kruis!
In zende u tweemaal heen, gij brengt mij altijd tongen.
Hoort meester (zeide hij) uw gramschap zij bedwongen,
Een goede tong is 't best dat hier ter wereld is,
En weder 't slimste deel een kwade tong gewis:
De tong baart twist en krijg, de tong baart peis en vrede;
De tonge, die bedroeft, de tong vertroostet mede;
De tonge, die verdrukt, de tonge komt te baat;
De tong de liefde breekt, de tonge doodt den haat;
De tonge, die ontsticht, de tong baart nutte leere;
De tonge lastert God, de tonge looft den Heere:
Dus, alsmen de eigenschap der tongen wel verzint[247],
Zoo is zij 't kwaadste deel en 't beste dat men vindt.