(ZORG VOOR 'T ALGEMEEN.)
Een leerrijk voorbeeld van een schipper (naar mijn oordeel),
Die met zijn schade zocht zijns naastens meeste voordeel.
_Proverb._ 11.
Die 't koren zoldert, heeft zijn vloekers en benijders,
Maar die het mild verkoopt heeft veel gebenedijders.
De magre diere[253] tijd, schier tot in 't graf des doodes,
Verdrukte de gemeente, in de oude stad van Rhodes;
Waarom de mare[254] vast, met hare groote trom[255],
Opwekte 't naaste land, tot troost en hulp alom,
Tot dat'er eindelijk drie schepen, zwaar geladen,
Met terwe kwamen aan, om ieder te verzaden;
Maar naauwlijks raakten zij uit de ongestuime zee,
En wierpen 't anker uit, of kwamen op de reê,
Of de opper-stierman roept, zoo luide als hij mag brullen:
"O borgers! hier is graan, om uw gebrek vervullen;
Maar koopt niet al te dier, of immers maar ter nood[256],
Want daar komt achter mij nog een geheele vloot;
Dus houdt een leege[257] markt, en willet[258] niet opsteken,
Want daar is voor de hand meer als u mag[259] ontbreken."
Graan-koopers u vrij schaamt, als gij u niet verkloekt[260],
En met uw schade aldus 't gemeene beste zoekt,
Wanneer gij, gierig om een hooge markt verwerven,
Uw koren-zolders sluit, en latet graan verderven,
God geeft ook wieder vast[261] met kommer en geduld,
Als uwen aas-zak maar is tot de keel vervuld;
Peinst vrijelijken[262], dat des rechters ooren tuiten,
Die eens op 't lest voor u zal 's Hemels schuren sluiten;
Als gij dan klaagt en kermt, wordt ijdel uwe hoop,
Wanneer hij zeggen zal: "mijn graan is niet te koop!"