(WELSPREKENDHEID.)
Den Walschen[236] Hercules hier aardig en perfekt
De lieden met zijn tong schoontalig tot zich trekt.
1 _Cor._ 13.
Wanneer[237] ik liefdeloos schoon[237] spreke eens Engels taal,
Wat ben ik anders dan een luidende metaal?
Den Walschen Hercules (daar veel van is gezongen)
Met gulden ketenkens aldus aan zijnder[238] tongen[239]
De volk'ren had gehecht; 't welk zoo veel is gezeid,
Dat een schoontalig[240] man, door zijn welsprekendheid,
De menschen tot zich trekt, en vele groote scharen
Bestiert, als of zij aan zijn tong gebonden waren.
't Is daarom, dat men nog wel zegt naar de oude sloer[241],
Hij klapte mij zoo schoon, hij kreeg mij aan het snoer;
't Is daarom, dat men zegt, dat, met zijn zoete snaren,
Orfeus in 't wilde woud de dieren konde paren;
't Is daarom dat men zegt, dat Amfion in 't veld
Heeft Theben opgebouwd, een stad groot van geweld:
Welsprekendheid, verzeld met billijkheid en reden,
Het sterkste wapen is, dat iemand mochte smeden;
Het bindt de herten t'zaam, en maakt van velen een,
Gelijk het lijf bestaat uit veelderhande leên.