XLI.

(OEDIPUS EN DE SFINX.)

Het listig monster Sfinx stelt Oedipo te voren[226]

Een raadsel, 't welk hij raamt[227]; dies doodt het zich van toren[228].

_Job_, 14.

De mensch gelijk een bloem verwelket en vergaat,

En blijvet nimmermeer in eenen zelven[229] staat.

Het zeldzaam monster Sfinx (dat de Thebaners kwelde)

Dit raadsel Oedipo op 't alderscherpst voorstelde:

Vier voeten, twee, en drie, heeft ergens eenig dier,

Dat niet en heeft als stem, en stem veranderd schier[230],

Dat geen dier meer zoo doet, van al wat vliegt om hooge,

Of zwemt in natte zee, of wandelt hier op 't drooge;

Maar als op voeten veel dit dier begint te gaan,

Begint hem al zijn jeugd en al zijn kracht vergaan.

Dit dier (zegt Laji Zoon) ik zal 't u haast ontknoopen,

Dat is den mensche, die ter wereld komt gekropen,

Die eerst op hand en voet, als op vier beenen, gaat,

Zoo lange tot hij recht op zijn twee voeten staat:

Maar als den ouderdom, met zuchten en met stenen,

Aanbreekt, hij zwak en krank op eenen stoel moet lenen[231],

En als drie voetig gaan, met zijnen doornen staf,

Naar zijn eng kerkhof toe, op dat hij valt in 't graf.

De rader naauwlijks zwijgt, 't woord is naauw vande lippen,

Of Sfinx breekt zijnen hals, en[232] werpt zich vande klippen.

De complete werken van Joost van Vondel. Vergelijking van de Verlossinge der Kindren Israels met de Vrijwording der Vereenigde Nederlandsche Provinciën, [etc.] · 第 70 / 105 题