(WIJZE MATIGHEID.)
Ziet, hoe de filosoof hier aan de tafel dut[221],
En den gezonden wijn gespariglijken nut.
1 _Timoth._ 5.
O, zone! ik rade dy (uit zorge, die ik drage):
Gebruikt een weinig wijns, om uwe kwade mage.
Hier zit de wijzeman[222], hij laat hem niet meer tappen
Tot 't noenmaal[223], dan alleen drie matelijke nappen;
Hij slacht den dronkaard niet, die nimmermeer en kan
Uitblusschen zijnen dorst, gelijk den Ocean,
Die, alhoewel hem steeds de bornen en de vlieten
Zoo vele waters in zijn glazen kruike gieten,
Nog nimmer is verzaad; zoo ook den dronkenbol:
Hoe vele dat hij drinkt, zoo'n[224] is hij nimmer vol;
Maar den wijs-gieren[225] heeft de soberheid verkoren.
En laat een druppelken onnut niet gaan verloren.
Die zoo den wijn gebruikt, die zoo de druiven leest,
Wordt van den wijn gevoed naar 't lijf en naar den geest;
De geest hij levend' maakt, het herte sterk en jonger,
De hersnen zuivert hij, en wekket gragen honger,
't Bleek aanzicht hij verdrijft, verwermt het koude bloed,
En ons teêr lichaam hij lange in gezondheid hoedt.