(CRATES.)
Hoe den philosophus zijn goud wierp in de baren,
Dat zal u deze prent en dit gedicht verklaren.
_Matth._ 10.
Wie alles niet verlaat, en volgt mijn stappen veerdig,
Is mijn leerjonger niet, noch en is mijns niet weerdig.
Ziet Crates, den Thebaan, hem zelven gaan te boven,
Verkoopende zijn haaf, zijn goederen en hoven;
Dewijl hem 's werelds goed behindert inden loop
Des deugds, verzaamt hij 't geld in eenen klomp of hoop,
En spoeyende daar meê recht naar den dorren oever
Van de ongetemde zee (als zijnde geen behoever
Van zulken overvloed) werpt zijnen schat heel veer
En al zijne ijd'le zorg met eenen in het meer,
En roept "o, ligstu[214] daar in 't midden vande golven!
Veel beter is 't dat gij ligt inden grond gedolven,
Dan dat gij nacht en dag mijn innerlijk gemoed
Met angst en zorge pijnt, of met veel kwelling voedt."
O, groote kemels! die hier met veel ongemakken
Zoo lastig gaat getrost[215] met 's rijkdoms zware pakken,
Aanmerkt, wat Crates doet, niet langer voorts[216] en draaft,
Ziet hoe hij al zijn goud in 't diepe meer begraaft.
Maar gij zijt veels[217] te gier, en zoudt veel liever drenken[218]
In 't midden vande zee, dan 't goud de baren schenken.
Ay, arme gierigaards! wat zal ik zeggen, dan
De heele wereld niet u herte vullen kan:
Driekantig is uw hert, dies, als ik met verkloeken[219]
Een ronde[220] daar in trek, daar blijven altijd hoeken
Nog leeg end' ydel staan; dus roep ik met beklag:
't Is eenen diepen put, die niemand vullen mag.