(DIOGENES NOG EENS.)
Diogenes leert hier, dat zij, tot geenen dagen,
Niet allen menschen zijn, die wel den name dragen.
_Iesai_ 1.
Den ezel kent zijn krib, den osse zijnen heere,
Maar Israël en weet van God noch van zijn leere.
Den drol'gen ouden poets[210], Diogenes ik meen,
Als op den middag 't licht 't schoonst van den hemel scheen
Met een lanteerne liep, om zoeken naar zijn wenschen.
Elk riep: wat zoekt gij hier?--'t zijn redelijke menschen,
Die ik dus zoeken ga; elk boerden[211], en elk loeg:
Wel, Diogeen'! zijn hier geen menschen nog genoeg?
Ik zieder hier niet een (sprak hij), want gij betoonet,
Dat geene reed'lijkheid in uwe herten wonet,
Uw beestlijk leven toogt, dat gij (het welk ik haat)
Zijt menschen met den naam, maar beesten inderdaad."
Die met Diogenes liep zoeken als de blinden,
Nog zoude hedensdaags naauw menschen kunnen vinden:
Want deze wereld is een woeste wildernis,
Die niet vol menschen, maar vol wilde dieren is;
Ja, nog den meestendeel[212] zijn woester van manieren
Als in het wilde woud de onredelijke dieren:
Want daar[213] den eenen wolf den anderen op eet,
Daar is de winter koud, daar is de winter wreed;
Maar dat den eenen mensch (al schijnt hij driemaal vromer)
Den anderen verslindt, geschiedt wel in den zomer.