(GENOEGZAAMHEID.)
Ziet, hoe Diogenes den kroes aan eenen kant
Weg werpt, dewijl hij kan drinken uit zijne hand.
1 _Timoth._ 6.
Een goed genoegzaam herte en goddelijke zin,
Is eenen grooten schat, en wel een rijk gewin.
Diogenes, die steeds arbeidde[206] om te mind'ren
Zijns lichaams nooddruft, zag, hoe twee onnoos'le[207] kind'ren
Het water met der hand vast schepten uit den vloed,
Dies nam hij zijnen nap en trad hem met de voet:
Wat mag ik (zeide hij) zoo vele huisraads nutten[208],
En dus beladen gaan, dewijle men kan putten
Den drank met zijne hand, en lesschen zoo den dorst?
Waar toe hebbe ik zoo lang d'onnutten kroes getorscht?
Daarom, wanneer wij 't doen der ouden wel beproeven[209],
Zij zochten hunnen schat in luttel te behoeven:
Want daar men veel behoeft, daar is vrij de armoê groot;
Maar waarlijk is men rijk, daar weinig is van nood.