XXXVI.

(WIJZE KEUS.)

Hier ligt Diogenes, en kiezet, in zijn vat,

Het vrolijk zonnelicht voor Alexanders schat.

_Hebr._ 11.

Voor al 't Egyptsche goed, voor Farao's threzoren,

Heeft Mozes met Gods volk het aldernutst verkoren.

De woonst[198] Diogenis was een boômlooze tonne,

Hij schuilde in heur schaâuw voor 't steken van de zonne,

Hij had geen and're hut, noch and're tent op d' eerd,

Dit vliênde leven docht hem luttel moeiten weerd:

Zijn tafel was het gras, op een bijzondre wijze

Hield hij zijn middagmaal, met ongekookte spijze:

Den aaszak[199], zijn schrappaai[200], hij altijd bij zich droeg;

Nature, meende hij, heeft lichtelijk genoeg;

De wijnen, die hij dronk, was 't water, daar hij zeker

Geen aconiet[201] in vond; zijn hand was zijnen beker:

Hij hadde geenen schat, of droeg hij om 't gemak

Een tesch[202], zoo was 't zijn hart dat vol genoegen stak.

Waarom de Macedoon[203], de treffelijkste koning,

Hem te bezoeken dacht; hij vond hem in zijn woning;

Diogenes, die lag en trok 't hem weinig an[204]

Of hij een koning zag, of eenen akkerman.

Dit docht den prince vreemd; dies, om zijn zeldzaam leven,

Zeide: "eysschet wat gij wilt, ik zweer, ik zal 't u geven."

Den wijsgeer naauwlijks sprak: "ei! Alexander vrund!

Gij neemt mij 't zonnelicht, dat gij niet geven kunt."

Dus is hij waarlijk rijk, die zich in niets bedroevet,

Die in all's[205] is te vreên, en weinig nooddrufts hoevet.

De complete werken van Joost van Vondel. Vergelijking van de Verlossinge der Kindren Israels met de Vrijwording der Vereenigde Nederlandsche Provinciën, [etc.] · 第 65 / 105 题