(BOOM EN MENSCH.)
Dees stomme beeltenis spreekt (als in eenen droom):
De boom is als de mensch, de mensch is als de boom.
_Math._ 3.
Een ieder boom, die niet draagt goede vruchten hier,
Ten leste werd gekerfd en dan verbrand in 't vier.
Het redelijke dier, den mensch verkeerd genomen[195],
Gelijkt wel eenen boom, hoe aardig wil dit komen:
Den boom spruit uit der aard, de mensch uit 's moeders graf;
De boom groent en verdort, de mensch komt en gaat af;
De boom zijn takken heeft, die hij zoo wijd uitspanden[196],
Den mensch zijn voeten ook, en zijne palmen-handen[197];
De wortel is de deugd, die al den boom aankleeft,
De mensche zonder hoofd ook nimmermeer en leeft;
Wanneer 's booms wortel treurt, zoo hangen al de bladen,
Ook 's menschen leden, als 't hoofd is met druk beladen:
De boom, die lange staat, op 't lest wordt oud en krom,
De mensch ziet naar het graf in zijnen ouderdom;
Waar de boom henen valt, daar zal hij liggen moeten,
De mensch na zijne dood heeft geenen tijd van boeten;
De boom zijn midden heeft met eene schorse omgord,
De mensch een ziele, die van 't vleesch bekleedet wordt;
's Booms midden, eindelijk, wordt met den boom verdorven,
Maar 's menschen ziel nog leeft als 't lichaam is gestorven.