XXXV.

(BOOM EN MENSCH.)

Dees stomme beeltenis spreekt (als in eenen droom):

De boom is als de mensch, de mensch is als de boom.

_Math._ 3.

Een ieder boom, die niet draagt goede vruchten hier,

Ten leste werd gekerfd en dan verbrand in 't vier.

Het redelijke dier, den mensch verkeerd genomen[195],

Gelijkt wel eenen boom, hoe aardig wil dit komen:

Den boom spruit uit der aard, de mensch uit 's moeders graf;

De boom groent en verdort, de mensch komt en gaat af;

De boom zijn takken heeft, die hij zoo wijd uitspanden[196],

Den mensch zijn voeten ook, en zijne palmen-handen[197];

De wortel is de deugd, die al den boom aankleeft,

De mensche zonder hoofd ook nimmermeer en leeft;

Wanneer 's booms wortel treurt, zoo hangen al de bladen,

Ook 's menschen leden, als 't hoofd is met druk beladen:

De boom, die lange staat, op 't lest wordt oud en krom,

De mensch ziet naar het graf in zijnen ouderdom;

Waar de boom henen valt, daar zal hij liggen moeten,

De mensch na zijne dood heeft geenen tijd van boeten;

De boom zijn midden heeft met eene schorse omgord,

De mensch een ziele, die van 't vleesch bekleedet wordt;

's Booms midden, eindelijk, wordt met den boom verdorven,

Maar 's menschen ziel nog leeft als 't lichaam is gestorven.

De complete werken van Joost van Vondel. Vergelijking van de Verlossinge der Kindren Israels met de Vrijwording der Vereenigde Nederlandsche Provinciën, [etc.] · 第 64 / 105 题