(GEDULD OVERWINT ALLES.)
Ziet Socrates (eilaas!) besprongen van de boosheid
Der wijven, met geduld verwinnen hun godloosheid.
_Syr._ 25.
Veel liever wil ik nog bij leeuwen en bij draken,
Als bij een booze vrouw mijn rust en woonplaats maken.
Die een kwâ vrouwe heeft, genoeg heeft aan zijn wee;
Den armen Socrates (eilacen!) heefter twee,
Hij is er meê gescheept, hij moet er ook meê varen,
Door zoo veel holle zeên, door zoo veel waterbaren:
D' een tessche[188] is hallef blind, en de andre feeks is leep[189],
D' een slaat hem met de roede, en de andre met de zweep:
Nog was hij wel te vreên, hoe zeer zij op hem brulden,
Zijn herte is onbeweegd, en alles kan hij 't dulden:
Kneust de een hem met de vuist, en de ander met den voet,
Zoo houdt hij evenwel een ongekwetst gemoed:
Hij lijdt, zij slaan; hij zwijgt, zij voeren heuren snater;
Hij zit op 't drooge land, zij gieten hem met water;
Ten laatste zegt hij eens: "wanneer de locht verbolgt[190],
De regen in 't gemeen na eenen donder volgt."
Aldus geduldigheid met zoete en zachte zinnen
Heur kruis verlichten kan, en tegenspoed verwinnen:
Hij wreekt zijn leed genoeg, die stille, met verdrag,
Niet zijnen smaad en wreekt, daar hij 't aan wreken mag.