XXXIII.

(GEDULD OVERWINT ALLES.)

Ziet Socrates (eilaas!) besprongen van de boosheid

Der wijven, met geduld verwinnen hun godloosheid.

_Syr._ 25.

Veel liever wil ik nog bij leeuwen en bij draken,

Als bij een booze vrouw mijn rust en woonplaats maken.

Die een kwâ vrouwe heeft, genoeg heeft aan zijn wee;

Den armen Socrates (eilacen!) heefter twee,

Hij is er meê gescheept, hij moet er ook meê varen,

Door zoo veel holle zeên, door zoo veel waterbaren:

D' een tessche[188] is hallef blind, en de andre feeks is leep[189],

D' een slaat hem met de roede, en de andre met de zweep:

Nog was hij wel te vreên, hoe zeer zij op hem brulden,

Zijn herte is onbeweegd, en alles kan hij 't dulden:

Kneust de een hem met de vuist, en de ander met den voet,

Zoo houdt hij evenwel een ongekwetst gemoed:

Hij lijdt, zij slaan; hij zwijgt, zij voeren heuren snater;

Hij zit op 't drooge land, zij gieten hem met water;

Ten laatste zegt hij eens: "wanneer de locht verbolgt[190],

De regen in 't gemeen na eenen donder volgt."

Aldus geduldigheid met zoete en zachte zinnen

Heur kruis verlichten kan, en tegenspoed verwinnen:

Hij wreekt zijn leed genoeg, die stille, met verdrag,

Niet zijnen smaad en wreekt, daar hij 't aan wreken mag.

De complete werken van Joost van Vondel. Vergelijking van de Verlossinge der Kindren Israels met de Vrijwording der Vereenigde Nederlandsche Provinciën, [etc.] · 第 62 / 105 题