(WIJZE MATIGHEID.)
Pythagoras zit hier, de disch, die is hier knap[177]
Verzorgd met eenen weg[178], wat vruchts, en eenen nap.
_Marc._ 1.
De Dooper, die den weg voor Godes Zoon kwam banen,
Had anders geene spijze als honig en sprinkhanen.
Pythagor', Samos' roem, te wonderlijken[179] haten[180]
De onnutte gulzigheid, die niet en kan als vraten[181];
Met eenen sobren disch hij wel tevreden was,
Hij speende zich van vleesch, en visch; bij 't veldgewas,
In ware dankbaarheid hij heiliglijken[182] leefde,
En met der herten[183] aan een goed genoegen[184] kleefde.
O gulden soberheid! gij zijt u zelf een maat:
Als de ander eerst begint, zoo zijdy[185] al verzaad.
De spijze is niet zoo zeer om 't lichaam vet te mesten
(Gelijk een kermis-gans, die kruipen moet ten lesten[186]),
Als zij[187] geschapen is, dat elk een van heur proeft
Alleen zoo veel, als 't lijf tot onderhoud behoeft.