XXXII.

(WIJZE MATIGHEID.)

Pythagoras zit hier, de disch, die is hier knap[177]

Verzorgd met eenen weg[178], wat vruchts, en eenen nap.

_Marc._ 1.

De Dooper, die den weg voor Godes Zoon kwam banen,

Had anders geene spijze als honig en sprinkhanen.

Pythagor', Samos' roem, te wonderlijken[179] haten[180]

De onnutte gulzigheid, die niet en kan als vraten[181];

Met eenen sobren disch hij wel tevreden was,

Hij speende zich van vleesch, en visch; bij 't veldgewas,

In ware dankbaarheid hij heiliglijken[182] leefde,

En met der herten[183] aan een goed genoegen[184] kleefde.

O gulden soberheid! gij zijt u zelf een maat:

Als de ander eerst begint, zoo zijdy[185] al verzaad.

De spijze is niet zoo zeer om 't lichaam vet te mesten

(Gelijk een kermis-gans, die kruipen moet ten lesten[186]),

Als zij[187] geschapen is, dat elk een van heur proeft

Alleen zoo veel, als 't lijf tot onderhoud behoeft.

De complete werken van Joost van Vondel. Vergelijking van de Verlossinge der Kindren Israels met de Vrijwording der Vereenigde Nederlandsche Provinciën, [etc.] · 第 61 / 105 题