(DE IJZREN EEUW.)
Ziet hier den ijz'ren Eeuw, daar de eene d'ander tergt,
De Wereld is vol strijds, en heel in 't kwaad verergd.
_Gen._ 4.
Des werelds vierde deel sloeg Caîn, en was niet wijzer;
Hij bouwde de eerste stad, en Tubal vond het ijzer.
Toen 't ijzer kwam in 't licht, uit 't ingewand der aarden[175],
Klep, klep! het aanbeeld ging, men smeedde niet dan zwaarden;
Rechtveerdigheid uit vrees weêr naar den hemel trekt,
Het aardrijk werd terstond met menschenbloed bevlekt,
De krijg werd opgekweekt, men ging de zinnen scherpen,
En met den blinden mol een aarden wal opwerpen,
Het kalfs-vel werd gerekt, men maakte flucx een trom,
De mensch werd loos in 't kwaad, en in de wijsheid dom;
Men kreeg een bonten vlag gewonden om de stengen,
Men ging vierkantig 't heer in zijn slagorden brengen,
De horen onraad blies, de trommel sloeg alarm,
De vreeze werd verdoofd en 't bloed in 't herte warm;
Het eene heer verwan, het ander is gevloden,
Het veld, dat werd bedekt met menig duizend dooden,
Men riep er niet dan moord, daar werd een groot geschreeuw,
En zoo kwam op de hand de dullen[176] ijz'ren eeuw.