(GEVAARLIJK BEROEP.)
Ziet, hoe een stalen zweerd aan eenen zijden draad
Steeds hanget boven 't hoofd den koninklijken staat.
_Psal._ 55.
Mijn herte is in mijn lijf beangstet, ja, het beeft;
's Doods vreeze mijn gemoed aldus getroffen heeft.
De vleyer Damocles, pluimstrijker die uitsteket,
En nimmermeer (God wouds![162]) in 's princen hof gebreket[163],
Acht Dionysium, als eenen aardschen God,
Gelukkig over zeer[164], schier zonder mate of slot:
Waarom de koning hem, met purp'ren kleed'ren schoone,
Als eenen koning ciert, ja 't voorhoofd met een kroone
Hem heerelijk omdrukt, en hem in handen geeft
Den koninklijken staf, waar voor 't al schrikt en beeft;
Den nieuwen koning hij dus laat ter tafel zetten,
Diens[165] rug geladen is met allerlei banketten,
Men speelt een zoet muziek, en wekt den Echo zelf,
Met eenen zoeten toon in 't marmeren gewelf:
Maar twijlen[166] men dus juicht in 't midden der gezangen,
Laat Dionysius een stalen zwaard ophangen
Aan eenen zijden draad, recht boven 't hoofd gewis
Desgenen, die zich waant dat hij gelukkig is,
Maar ziende naauw omhoog, verschrikt hij zoo voor 't dreigen
Van 't opgehangen zwaard, dat hij zijn hoofd moet neigen,
En roept: "Heer koning o! verlost mij uit den druk,
Ik kieze mijnen staat, en laat u dit geluk."
Aldus en mag hij niet geacht gelukkig wezen[167],
Die stadig is gepijnd met duizenderlei vreezen.
't Paleis, dat zijnen kop hoog in de lucht verheft,
Eer dan eens herders hut, de kromme blixem treft.