(VERDIENDE STRAF.)
Merkt, hoe rechtveerdig dat Perillus raakt ter dood
In zijnen kop'eren stier, die hij voor and'ren goot.
_Psal._ 7.
De goddelooze graaft den put naar zijnen zin,
Maar als hij 't heeft gedaan, valt hij daar zelver in.
De konstige Perill' (die op het alderblootste[152]
Den gieter[153] Myron zelf in zijne konst nabootste)
Goot eenen kopren stier, die hij om zijnder[154] konst
Den tyran Falaris (om raken in zijn gonst)
Eerbiedelijken schonk: maar, als hij voor den koning
Verscheen, om naar zijn werk te krijgen zijn belooning,
Sprak de tyran tot hem: "Zegt[155] mij, du kloeker[156] geest,
Wat zoû men mogen[157] doen met dit gehoornde beest?"
"Heer koning!" (zeide hij) "den stier, die heeft een wijde[158],
Vierkante venster in het midden van zijn zijde,
Waar in men werpen zal den boozen t' zijnder[159] straf;
Wanneer de kwade nu in dit metalen graf
Met hitte werd gepijnd, zal hij den stier doen brullen,
En met een luid geloei de ruime locht vervullen."
"Wel aan," (sprak den tyran) "'t is best, gij 't eerst
verzoekt[160];"
Men greep hem bij den kop, zijn kunst heeft hij vervloekt,
Geen klagen hier en holp, men most het recht vervolgen,
Den dooden stier heeft hem al levende opgezwolgen.
Dies, o gij kunstenaars! denkt, dat in 's werelds perk
Een ieder werd geloond na[161] zijnder handen werk.