XXVII.

(SARDANAPALUS.)

Ziet hoe den Assyriêr, verwijfd gelijk een kind,

Zijn hand slaat aande spille, en zijnen rokken[149] spint.

3 _Regum._ 11.

Toen Salomon zoo veel boelaziën had verkoren,

Werd hij zoo gansch verwijfd, dat alles liep verloren.

Sardanapalus! o, wat helpen u drie mijten[150],

Daar gij de spille omdraait? het dient tot uw verwijten,

Dat gij zoo heel verwijft, en zelfs den rokken spint:

Dit harnas past u niet; wat zijdy dul of blind?

Den scepter voegt u best, om daar meê te bestieren

Uw onverwonnen erf, het rijk der Assyriêren:

Gij slacht Alcmenæ Zoon, die (hoe ontzien en trots)

De schoone Omfale geeft zijn pijlen, en zijn knods,

En wisselt al zijn tuig (o, zoete minne-grillen!)

Voor eenen spinrok, en een hand vol ronde spillen.

O, groote minne-kracht! die wonderlijk uitmunt,

Als gij een manlijk hert zoo heel verwijven kunt.

Als gij eens konings ziele in uwe boeyen kluistert,

Is al de majesteit van zijne krone ontluisterd,

Zijn wijsheid ongeacht, zijn mogendheid vervoerd,

En door zijn hoererij werd[151] 't gansche rijk verhoerd:

Daar 't hof van minne brandt, werd (eer men 't zoude wanen)

Het land een vuil bordeel, vol lichte Courtisanen.

De complete werken van Joost van Vondel. Vergelijking van de Verlossinge der Kindren Israels met de Vrijwording der Vereenigde Nederlandsche Provinciën, [etc.] · 第 56 / 105 题