(AENEAS EN NERO.)
Ziet, hoe Anchisis zoon den vader helpt in nood,
En Nero al verwoed zijn moeder brengt ter dood.
_Proverb._ 10:
In eenen wijzen zoon de vader zich verblijdt,
Maar in een godloos kind de moeder droefheid lijdt.
Toen Troyen onderging en stond in roode kolen,
Toen 't hongerige vuur steeg opwaarts naar de polen[141],
En toen het Grieksche staal (al razende en verwoed)
Geen dingen zoeter vond dan het Troyaansche bloed;
Æneas met zijn kind ontwijkt den brand te gader,
En neemt op zijnen halze Anchisen[142], zijnen vader:
Hij draagt den ouden man, dat hem den rugge kraakt,
Tot dat hij eindelijk uit 's doods perijkel[143] raakt.
Hoe draagt Æneas dus?--ik drage mijne krone;
En drukke levende uit het beeld van eenen zone,
Van eenen goeden zoon, die, heilig en beleefd,
Den genen weder draagt, die hem gedragen heeft.
Maar recht in 't jegendeel[144] is Nero veel verwoeder
Als een onreed'lijk beest, die 't herte van zijn moeder
Uit heuren lijve rukt, en ziet het enge graf
Van zijnes moeders buik, dat hem eerst 't leven gaf;
Hij doodigt[145] die, waar van hij 't leven heeft ontvangen,
En nog loopt eenen traan niet langs zijn snoode wangen.
Dies als ik dezer twee hun vonnisse onderzoek!
D' een komt de zegen toe, voor d' ander is de vloek.