XXIV.

(DES ARMEN LES AAN DEN KEIZER.)

Hoe eenen armen man ('t is wel aanmerkens weerd)

Door een gelijkenis den keizer heeft geleerd!

_Exod._ 23:

Geschenken niet en neemt van vijanden noch vrinden,

Want zij des rechters oog, en 't ziende recht verblinden.

Den keizer langs den weg, aldaar hij ging spaceeren[138],

Zag eenen armen man vol puisten en vol zweeren,

Waar op de vliegen vast, al gretig en verwoed,

Zich mesten vet en dik, met etter en met bloed.

Den koning werd beweegd en mocht dit niet verdragen,

"T' sa, Pazië!" (zeide hij) "dees vliegen wilt verjagen;"

"Neen," sprak den armen man, "ei lieve! laat doch dat!

Dees vliegen zijn verzaad, dees krekels zijn nu zat;

Verjaagdy dezen zwerm, zoo komter weer een jonger,

Met nieuwen appetijt, met gragen verschen honger,

En zullen van mijn vleesch en bloed hun zelven voên,

Met meerder pijn en smart dan mij nu deze doen."

Den keizer dedet[139] vreemd; deze antwoord met groot wonder

Hem in zijn ooren klonk, gelijk als eenen donder:

Hij mocht gedenken, of den rechter, die van goed

En gelden is verzaad[140], 't recht zoo veel hinders doet

Als eenen kalen vink, die eerst 't geding zal schiften,

En eet den armen op met gaven en met giften.

De complete werken van Joost van Vondel. Vergelijking van de Verlossinge der Kindren Israels met de Vrijwording der Vereenigde Nederlandsche Provinciën, [etc.] · 第 53 / 105 题