(DE DRIE WELDADEN.)
De Weldaad driederlei (ons tot een goed exempel)
Werd heiliglijk geëerd te Romen inden tempel.
_Heb._ 13:
De weldaad nimmermeer uit uw gemoed en vaagt,
Want zulken offerhand den Heere wel behaagt.
Dees drie Goddinnen, hier dus op de rije staande,
En zijn niet ongelijk de beelden van 't voorgaande:
Dees schoone maagden zijn de drie Weldaden zelf
Hier voormaals opgerecht in 't heilig Roomsch[117] gewelf:
De een is Weldadigheid, die, met een open herte
En met een open hand, gedenkt heurs naasten smerte:
Ontvangende Geschenk de tweede Nymfe heet,
Daar steeds Weldadigheid heur giften aan besteedt:
De derde Dankbaarheid, in wiens gemoed begraven
Ligt den dankoffer van heurs naasten milde gaven.
D' een rijkelijken geeft, de tweede die ontvangkt,
De derde voor de gaaf eerbiediglijk bedankt.
Och! of dees Nymfen ons altzaam zoo wel bevielen,
Dat wij hun[118] plaatsten inden tempel onzer zielen[119]:
Want daar in 't herte blinkt dit schoone beeldewerk,
Daar is een heilig huis en welgesierde[120] kerk.