(DE DRIE GRACIËN.)
De Liefdekens staan hier: ziet, hoe zij ons aanprijzen
Malkand'ren alle deugd en vriendschap te bewijzen.
1 _Joan._ 4:
God is de liefde zelf (de liefde is 't hoogste lot):
Wie inde liefde blijft, blijft eeuwiglijk in God.
Of iemand vragen mocht, wat deze drie bedieden:
Gij ziet hier een de twee, en weder twee de een bieden
Elkanders aangezicht, dewijl men zegt gewis,
Dat eene vriendschap twee vriendschappen weerdig is.
Het zijn de Charites[114], die, met een mild ontfarmen,
Malkand'ren alle drie zoo liefelijk omarmen;
Met ware liefd' zij tot malkand'ren zijn gezind,
De liefd' den gordel is, die hun[115] te zamen bindt
In eenen vasten knoop: maar waarom en bekleeden
Zij niet het wit albast van hare naakte leden?
't Is omdat reine liefde, en vriendschap ongeveinsd,
Een open herte toont, dat nimmer kwaad en peinst.
Aglaja, Thalia, en Euphrosin' zij heeten,
Bevalligheid, Vermaak, en Blijschap ongemeten;
Want aangenaamheid en vermaak zij in 't gemeen
En rechte vrolijkheid voortsbrengen[116] bij elk een.