XVIII.

(DE DRIE GRACIËN.)

De Liefdekens staan hier: ziet, hoe zij ons aanprijzen

Malkand'ren alle deugd en vriendschap te bewijzen.

1 _Joan._ 4:

God is de liefde zelf (de liefde is 't hoogste lot):

Wie inde liefde blijft, blijft eeuwiglijk in God.

Of iemand vragen mocht, wat deze drie bedieden:

Gij ziet hier een de twee, en weder twee de een bieden

Elkanders aangezicht, dewijl men zegt gewis,

Dat eene vriendschap twee vriendschappen weerdig is.

Het zijn de Charites[114], die, met een mild ontfarmen,

Malkand'ren alle drie zoo liefelijk omarmen;

Met ware liefd' zij tot malkand'ren zijn gezind,

De liefd' den gordel is, die hun[115] te zamen bindt

In eenen vasten knoop: maar waarom en bekleeden

Zij niet het wit albast van hare naakte leden?

't Is omdat reine liefde, en vriendschap ongeveinsd,

Een open herte toont, dat nimmer kwaad en peinst.

Aglaja, Thalia, en Euphrosin' zij heeten,

Bevalligheid, Vermaak, en Blijschap ongemeten;

Want aangenaamheid en vermaak zij in 't gemeen

En rechte vrolijkheid voortsbrengen[116] bij elk een.

De complete werken van Joost van Vondel. Vergelijking van de Verlossinge der Kindren Israels met de Vrijwording der Vereenigde Nederlandsche Provinciën, [etc.] · 第 47 / 105 题