XVII.

(HEIDENSCHE GODEN.)

Te Atheen' werd de Overhand[110], de strijdsche Mars in Sparten,

En Foeb'[111] bij den Tyriêrs geëerd van gantscher harten,

1 _Rom._ 1:

In eenes menschen beeld zij hebben Godes wezen

Veranderd en verkeerd, ja, dienst en eer bewezen.

De Heidenen, hoe blind zij voor ons henen gingen,

Noch altijds droomden van een wezen alder[112] dingen,

't Welk als een eigenschap te aanbidden kwam alleen,

Dat heilig was van aard, en ieder algemeen:

De Atheners de Overhand devotig eere boden,

De Tyriêrs Febus als den grootsten alder Goden,

Den wapen-roover Mars werd, met veel offer-viers,

Geëerd devotig van den Lacedemoniêrs:

Maar ander blinder, en veel woester van manieren

Godsdienstig offerden de[113] onredelijke dieren:

En 't alderdomste volk voor 't vuur heeft neêr geknield,

Of ander schepsel, 't geen dood was en onbezield.

Elk land had zijnen God eerbiedig in 't gezichte,

Dies in hunne blind'heid zij beschaamden veel verlichte,

Die, eenigzins verlicht, nog gaan in blindheid voort,

En vragen naar Gods-dienst, naar God, noch naar zijn woord!

De complete werken van Joost van Vondel. Vergelijking van de Verlossinge der Kindren Israels met de Vrijwording der Vereenigde Nederlandsche Provinciën, [etc.] · 第 46 / 105 题