(TOOVERKOLLEN.)
Der tooverschen[104] gespook u deze prent uit wijst,
Zoo eiselijk om zien, dat 't hair te berge rijst.
_Apoc._ 21:
Der toovenaren lot met solfer, vuur, en rook
Is inden Helschen poel, vol brands en vol gesmook.
De tooverschen ziet hier, t'wijl and're menschen slapen,
Met wonderlijk gebaar verkeeren al in apen,
En met een held're torts, van doode-smeer[105] gewracht[106],
Doen eenen lichten dag oprijzen inder nacht.
Wat brandt hier voor een Hel? wie of zij hier wyrooken?
Wat katten lollen dus? help Pluto! 't zijn al spooken;
Zou 't wel een kerkhof zijn? ik laat mij schier verleîn[107]!
Hier ligt zoo menig hoofd, en schedel zonder brein.
Wat maken zij gebaars? wat maken zij al kruisen!
Beroerende de locht, en doen de boomen ruischen.
Ginds staat een looden kelk vol doodelijk venijn,
Of zou 't Medea's sap, of Circes drank wel zijn?
Hola! zij wekken al de geesten hier ter banen,
De locht, die is vol vuurs, en vol gehoornde manen,
Ik derf naauw naarder treên, zij maken een geluid:
Plutonis[108] Hel-gedrocht, gij Furiën, komt uit!
Tisifone, Alecton, Megera, licht u hielen!
Ik dage u inden naam van dees verstorven zielen,
Bij Styx en Acheron! dat gij op dezen tijd
U t' zamen vinden laat in 't midden van dit krijt[109].
A my! wat zien ik daar in 't ronde perk vergâren?
De Helle ontledigt schier al heur verbannen scharen,
Zij werden mij gewaar, zij hebben mij gezien,
Waar loop ik alderbest, waar zal ik henen vliên?