(VERKOELDE MINNE.)
Hier zit de Minnemoêr[98], met heuren zoon verzeld,
Aan 't vuur, t'wijl Bacchus dwaalt met Ceres langs het veld.
1 _Pet._ 4:
Het geeft[99] den brassers vreemd (daar gij meê pleegt te loopen)
Dat gij zoo nucht'ren leeft, en schouwt[100] der slempers hoopen.
Vrouw Venus en heur wicht, hier inden hoek gescholen,
Zich wermen aanden heerd en roosten voor de kolen,
Vermits[101] vrouw Ceres en heer Bacchus beidegaâr,
Al dwalende langs 't veld, gescheiden zijn van haar.
Maar wat beteekent doch, dat zij van een gescheiden
De moeder met heur kind hier laten met hun beiden?
Is 't niet, omdat het vuur der geile minne-lust
Door soberheid verkout[102], en gantsch werd uitgeblust?
Want daar van graan en wijn is alderhande volheid,
Men aldermeest bespeurt der liefden[103] brand en dolheid:
Dus wie de wellust haat, zijn lijf houde in bedwangk,
Door soberheid van spijs en matigheid van drank.