(DOMME LASTER.)
In Momi scheel gezicht geen dingen zijn volmaakt,
Al schort maar aan den dans, dat Venus' toffel kraakt.
_Jud. vs._ 10:
De booze lasteraars (waar zij ook zijn gezeten),
Die lasteren het geen zij zelvers niet en weten.
De Goden kwamen t' zaâm in 's Hemels opper-zaal,
Om nutten met genucht een heerlijk avondmaal;
De rei was niet zoo haast vergaderd, of men dekt er
Des tafels breeden rug met Ambrosijn en Nectar;
Men schikten zich ten disch, men at, men dronk, men loech,
Geen ding hier en gebrak, daar was van als[95] genoeg:
Het maal was naauw gedaan, men ging de zinnen scherpen,
En, op den zoeten toon van fluiten en van herpen,
Aanvangen eenen dans: vrouw Venus, zoete snol[96],
Die maakte meen'gen spronk en luchte kabriol[97]:
Maar Momus inden hoek (die altijds kloek en wakker
Eens anders hofken wiedt, en zijnen eigen akker
Van 't onkruid laat vertreên) riep, duidelijk en plat,
't Gekraak van Venus' schoen den dans bedorven had.
Dus, waar den spotter zit, men zijne tong hoort lispen,
Hij vindt in ieders doen iets, dat hij mag berispen.