(MIN EN DOOD.)
Cupido en de Dood, die sliepen beiden t' zamen;
Ontwakende, zij blind elk anders schichten namen.
_Rom._ 6:
De dood, de bleeke dood (wanneer wij 't recht doorgronden)
Is den gerechten loon en straf van onze zonden.
Cupido en de dood zich leiden, om te slapen,
In een zacht bloemen-dal, met hun getuig en wapen,
Maar als zij beids te gaâr ontwaken uit den dut,
Onwetende nam de een des anderen geschut:
Het domme minne-wicht ging schieten met der ijlen[92],
De herten, die hij trof, haast storven vande pijlen;
De dood, de blinde dood, waar zij de borst doorklieft
Des grijzen ouden mans, daar kweelt[93] hij van de liefd'.
Daarom is 't, dat (hoe vreemd het schijnt in onzen zinne)
De jonge dikwijls sterft, en de oude kweelt van minne:
Daarom is 't dat de jeugd, als eene bloem, valt af
Van heuren groenen steel, gebliksemd in het graf,
En dat het minne-vuur des ouden hert doorkruipet,
En pijnelijk hem 't merg uit zijn gebeenten zuipet;
Dat weg gerukket werd den jongling, als een dief,
En dat den ouden stok[94] vrijdt om zijns herten lief.