XIII.

(MIN EN DOOD.)

Cupido en de Dood, die sliepen beiden t' zamen;

Ontwakende, zij blind elk anders schichten namen.

_Rom._ 6:

De dood, de bleeke dood (wanneer wij 't recht doorgronden)

Is den gerechten loon en straf van onze zonden.

Cupido en de dood zich leiden, om te slapen,

In een zacht bloemen-dal, met hun getuig en wapen,

Maar als zij beids te gaâr ontwaken uit den dut,

Onwetende nam de een des anderen geschut:

Het domme minne-wicht ging schieten met der ijlen[92],

De herten, die hij trof, haast storven vande pijlen;

De dood, de blinde dood, waar zij de borst doorklieft

Des grijzen ouden mans, daar kweelt[93] hij van de liefd'.

Daarom is 't, dat (hoe vreemd het schijnt in onzen zinne)

De jonge dikwijls sterft, en de oude kweelt van minne:

Daarom is 't dat de jeugd, als eene bloem, valt af

Van heuren groenen steel, gebliksemd in het graf,

En dat het minne-vuur des ouden hert doorkruipet,

En pijnelijk hem 't merg uit zijn gebeenten zuipet;

Dat weg gerukket werd den jongling, als een dief,

En dat den ouden stok[94] vrijdt om zijns herten lief.

De complete werken van Joost van Vondel. Vergelijking van de Verlossinge der Kindren Israels met de Vrijwording der Vereenigde Nederlandsche Provinciën, [etc.] · 第 42 / 105 题