(WELDADIGE WERKZAAMHEID.)
Ziet, hoe vrouw Venus' wicht, met zijn gevlerkte sprieten,
De onledige Diaan kan kwetsen, noch doorschieten.
_Syr._ 33:
Drijft stadig uwen knecht ten arbeid, vroeg en spaad,
Want luiheid ontucht baart, en alderhande kwaad.
Ziet, hoe Diana spoeit[87] met heure wakk're brooskens[88]
Langs 't schoon gebloeide veld bezaaid met roode rooskens;
Ziet, hoe zij rent en loopt door 't schaduwende bosch,
Geboogd, gepijld, geleersd, geladen met den tros[89],
De koppels hitsende aan[90] het wild met open kelen,
En geeft haar gouden haar de windekens om spelen:
Hier vangt zij eene hinde, en ginder een wild hert,
Dat met zijn hoornen inde takken is verwerd,
Hier eenen snellen haas, die met zijn ommekijken
Niet mocht in zijnen loop den ranken hond ontwijken,
Nu kruist zij 't donker woud, nu schuilt zij eens in 't lisch;--
Dat ondertusschen zij Cupidoos doel-wit is,
Zij niet eens merken kan, dewijl zij langs hoe stijver
Volherdigt[91] inde jacht, en groeit in dezen ijver;
Want wie de luiheid haat, en neerstigheid bemint
De liefde in zijnen vlijt en arbeid overwint.