(DE VREDE.)
De vreed' veel overvloeds een ieder maakt gemeen,
Wanneer den dullen krijg met voeten ligt vertreên.
_Job_, 22:
Vereenigt u met God, hebt vrede in uw gemoeden,
Gij werdt uit zijnen schoot gezegend met veel goeden[82].
Ziet Cornucopia[83] met heuren vollen horen
Ontluiken, twijlen Mars, al schuimende van tooren,
Met zijn Bellona[84] ligt getreden met de voet:
Gekneusd is zijnen schild, en zijnen stalen hoed,
Zijn ijzer is verstompt, en zijne spies gebroken:
Zoo dapper heeft de vreed' zich over hem gewroken.
Duurt lange, o zoete vreed'! dat eeuwig voor dy buig'
Den dullen God des krijgs met al zijn wapen-tuig!
Verstikt zijn moord-trompet, en laat zijn vendels rotten,
Scheurt zijn banieren al, en werpt ze voor de motten!
Zijn woedige[85] trofeên vernielt, hoe schoon en weerd!
Maakt van zijn spies een zeyn[86], een kouter van zijn zweerd,
Opdat den akkerman weêr met een goed genoegen
Mag onzes moeders rug doorvoren en doorploegen,
En Ceres wederom toewijden, met genucht,
Het eerste veld-gewas, het eerste van zijn vrucht.