XI.

(DE VREDE.)

De vreed' veel overvloeds een ieder maakt gemeen,

Wanneer den dullen krijg met voeten ligt vertreên.

_Job_, 22:

Vereenigt u met God, hebt vrede in uw gemoeden,

Gij werdt uit zijnen schoot gezegend met veel goeden[82].

Ziet Cornucopia[83] met heuren vollen horen

Ontluiken, twijlen Mars, al schuimende van tooren,

Met zijn Bellona[84] ligt getreden met de voet:

Gekneusd is zijnen schild, en zijnen stalen hoed,

Zijn ijzer is verstompt, en zijne spies gebroken:

Zoo dapper heeft de vreed' zich over hem gewroken.

Duurt lange, o zoete vreed'! dat eeuwig voor dy buig'

Den dullen God des krijgs met al zijn wapen-tuig!

Verstikt zijn moord-trompet, en laat zijn vendels rotten,

Scheurt zijn banieren al, en werpt ze voor de motten!

Zijn woedige[85] trofeên vernielt, hoe schoon en weerd!

Maakt van zijn spies een zeyn[86], een kouter van zijn zweerd,

Opdat den akkerman weêr met een goed genoegen

Mag onzes moeders rug doorvoren en doorploegen,

En Ceres wederom toewijden, met genucht,

Het eerste veld-gewas, het eerste van zijn vrucht.

De complete werken van Joost van Vondel. Vergelijking van de Verlossinge der Kindren Israels met de Vrijwording der Vereenigde Nederlandsche Provinciën, [etc.] · 第 40 / 105 题