(GOD BACCHUS.)
't Is Bacchus die hier zit, naar 't leven uitgebeeld,
Die ons den geest verheugt, en alle zorge ontsteelt[75].
_Syr._ 31:
Den eedlen zoeten wijn verkwikt des menschen hert,
Wanneer hij matiglijk met smaak genuttigd werd.
Hier zit den Wijn-god zelf met zijnen platten kroes,
Op zijn gezadeld ros, en speelt al vast à-_vous_!
O Bacche! drinkt eens om, en laat ons ook à-_moyen_[76],
't Vat is niet hallefleêg, wij mogen noch wel poyen[77]:
Maar zegt mij, hoe uw hoofd dees lichte vleugels krijgt,
En Pegasus aldus gevlerkt naar boven stijgt?
Is 't niet, o geve-lust, wijn-vinder, licht-beloven[78]!
Omdat de wijn versterkt en stiert den geest na boven?
Maar waarom krunkelt dus dees wijnranke in uw hand?
Is't niet, omdat gij eerst den wijnstok hebt geplant?
Waaromme zijdy[79] dus geschilderd blij en jeugdig?
Is 't niet omdat de wijn den mensch maakt kinds[80] en vreugdig?
En waarom zijdy[79] naakt? is 't, om dat onbeschaamd
Den dronkaart niet en weet, noch acht wat hem betaamt?
O dat is wel geraân! dus drinkt uit mijnder[81] schalen[81]
Eens lekker druiven-bloed, ik zal 't gelag betalen.