X.

(GOD BACCHUS.)

't Is Bacchus die hier zit, naar 't leven uitgebeeld,

Die ons den geest verheugt, en alle zorge ontsteelt[75].

_Syr._ 31:

Den eedlen zoeten wijn verkwikt des menschen hert,

Wanneer hij matiglijk met smaak genuttigd werd.

Hier zit den Wijn-god zelf met zijnen platten kroes,

Op zijn gezadeld ros, en speelt al vast à-_vous_!

O Bacche! drinkt eens om, en laat ons ook à-_moyen_[76],

't Vat is niet hallefleêg, wij mogen noch wel poyen[77]:

Maar zegt mij, hoe uw hoofd dees lichte vleugels krijgt,

En Pegasus aldus gevlerkt naar boven stijgt?

Is 't niet, o geve-lust, wijn-vinder, licht-beloven[78]!

Omdat de wijn versterkt en stiert den geest na boven?

Maar waarom krunkelt dus dees wijnranke in uw hand?

Is't niet, omdat gij eerst den wijnstok hebt geplant?

Waaromme zijdy[79] dus geschilderd blij en jeugdig?

Is 't niet omdat de wijn den mensch maakt kinds[80] en vreugdig?

En waarom zijdy[79] naakt? is 't, om dat onbeschaamd

Den dronkaart niet en weet, noch acht wat hem betaamt?

O dat is wel geraân! dus drinkt uit mijnder[81] schalen[81]

Eens lekker druiven-bloed, ik zal 't gelag betalen.

De complete werken van Joost van Vondel. Vergelijking van de Verlossinge der Kindren Israels met de Vrijwording der Vereenigde Nederlandsche Provinciën, [etc.] · 第 39 / 105 题