(HEILZAAM KRUID.)
Ziet, hoe een zeldzaam kruid (o, wonderlijk bedrijf!)
Het leven weder brengt in een gesturven[72] lijf.
_Sap._ 16:
Geen kruid noch plaaster heeft Israël in 't gemeen
Genezen, dan, o Heere! uw eeuwig Woord alleen.
Twijl Esculapius vast wandelt op en neder,
En tot gezondheid zoekt de kruiden groen en teder,
Hij eenen herder ziet, die in een dal gezwind
Strijdt met den basilisk, welk hij op 't lest verwint,
Door kracht en middel van een deel gevlochten blaren,
Daar zijn hoofd-slapen beid met overschaduwd waren;
Dies Esculapius hem vurig daar om bad.
Maar naauw den herder hem dees gift geschonken had,
Den loozen basilisk, die haddet[73] haast vernomen:
Dies hij om strijden weêr is haastig aangekomen.
Maar, laas! den jongeling te zwak viel en te licht,
Hij stort, zoo haast hij zag 't wreed monsters aangezicht!
Het welk den grooten Arts naauw ziende, hem gewreven
Heeft met hetzelfde kruid[74], en bracht hem zoo ten leven.
't Welk, als ik 't overdenk, gaat boven mijn verstand,
Dat zulken grooten kracht het kruid is ingeplant.