VIII.

(GODS WRAAK.)

Ziet hoe de wrake Gods (op dat wij niet en dolen)

Hier vergeleken werd bij eenen stillen molen.

_Luc._ 18:

Zal God niet wreken dan zijn lieve en uitverkoren,

Hoewel hij goedertier, en langzaam is tot tooren?

Den molen, die een wijl staat stille zonder wielen[70],

Gelijkt de wrake Gods die 't kwaad heel zal vernielen:

Den molen slapet wel een wijle windeloos,

Zoo doet ook Godes wrake, al zijn wij nog zoo boos:

Maar als den storm-wind blaast, als of hij waar verkorseld[71]

Den zwaren molen-steen al 't graan tot gruis vermorselt.

Zoo ook, als zich verheft de gramschap onzes Gods,

Werd al het kwaad vermaald, al zijn wij nog zoo trotsch.

Den stillen molen dan ons allen zij een bake,

Dat wij de goedheid Gods erkennen vóór zijn wrake:

Want of zij schoon vertoeft, zoo zal zij doch in 't lest

Gelijk den bliksem gaan van 't Oosten tot in 't West.

Die Gods lankmoedigheid dan hier, naar 's vleeschs behagen,

Heeft achteloos verzuimd, zal't veel te spa beklagen,

Wanneer dengene, die hem vriendlijk heeft genood,

Met een wreed aangezicht hem in den afgrond stoot.

De complete werken van Joost van Vondel. Vergelijking van de Verlossinge der Kindren Israels met de Vrijwording der Vereenigde Nederlandsche Provinciën, [etc.] · 第 37 / 105 题