VII.

('S MENSCHEN EINDPERK.)

Den Pijler, die gij ziet, van Godes schikking is

Een levendig patroon[66] en klare beeldenis.

_Job._ 14:

Den Heere heeft den Mensch, voor zijnen laatsten dag,

Gesteld een perk, 'twelk hij niet overtreden mag.

Den marmeren pilaar staat vast en onbezweken,

Hij wijkt niet voor Jupijn, maar blijft een eeuwig teeken;

In spijt van weêr en wind, klimt hij ten Hemel op,

En stijgt hij inde locht met een trotschen kop:

Den paal staat daar hij staat, hij weet van geen verschrikking,

Te recht hij een figure en beelde is van Gods schikking,

't Gezet[67] welk is gesteld door 't Goddelijk beleed[68],

Hoe groot, hoe hoog, hoe diep, hoe lang, hoe wijd, hoe breed,

Wat was, wat is, en blijft, van gist'ren, heden, morgen,

O, dit ligt wonder diep in Godes raad verborgen!

Zoo diep, dat ik mij[69] eize, als ik dien afgrond naak;

Blijd' ben ik, blijd', dat ik daar weder uit geraak.

De complete werken van Joost van Vondel. Vergelijking van de Verlossinge der Kindren Israels met de Vrijwording der Vereenigde Nederlandsche Provinciën, [etc.] · 第 36 / 105 题