(PROMETHEUS' STRAF.)
Ziet hier Japeti zoon om zijn vier-dieft[58] gebonden,
Wiens lever groeit des nachts, en werd des daags verslonden.
_Marc._ 2:
Den worm (die niet en sterft in 't ongebluste vier)
Den boozen eeuwig knaagt, wanneer hij scheidt van hier.
Ey ziet, hoe Prometheus[59] van Jupiter verstooten,
Zoo jammerlijk en droef aan Caucaso[60] gesloten
Den Echo gaande houdt en, met een droef geween:
"Ah my! ah my! ah my!"[61] wekt driemaal achter een.
Den arend[62] niet en rust; ziet hem eens lever-pikken,
En als een gretig aas het rouwe vleesch inslikken:
De Goden lastert hij, en wenscht, in dezen nood,
Dat hij zijn leven hier mag einden met een dood.
Maar 't is vergeefs geklaagd, zijn lever, langs hoe wreeder,
Is 's daags des vogels roof, en groeit bij nachte weder.
Onzalig is te recht die 's Hemels gunste derft,
Die stervende altijd leeft, en levende altijd sterft.
O, mensche, spiegelt u! verzoent in tijds Gods toren[63],
Want als de booze sterft zijn straffe eerst werd geboren:
Al zwijgt God hier een wijl, zoo wordt nochtans het end
Des kwaden, op het lest, 't begin van zijne ellend.