(CUPIDO'S VAL.)
Ziet, hoe Cupido valt, en om zijn oude luimen
Zoo schandelijken moet den schoonen Hemel ruimen.
_Jesai._ 13:
Die boven 't hemelsch heir dacht stellen zijnen stoel,
Van Godes aangezicht viel in den helschen poel.
Cupido, Venus' wicht, ontstak met zijne stralen
Het heilig hemelsch koor, en al de hooge zalen:
't Een herte heeft hij voor, het ander na doorkliefd,
Het kweelden[54] al van min, het kweelden al van liefd:
Hij werd terstond ge-eerd van zoo veel groote joff'ren:
Nu ging hem de eene dit, nu de ander dat opoff'ren.
Jupijn die was beducht, ofwel (tot zijnder schand)
Den Hemel op het lest mocht raken inden brand,
Dies hij den bliksem nam, en, in een groot onweder,
Met eenen strale vuurs hem werp[55] van boven neder.
Die opgeklommen was tot 't alderhoogste wiel
Met eenen leegen kop weer inden afgrond viel.