II.

(DE ZILVREN WERELD-EEUW.)

Ziet, hoe Jupijn bestiert des werelds zilv'ren eeuwe,

Des zomers groen van 't loof, en 's winters wit van sneeuwe.

_Gen._ 3:

In 't zweet uws aangezichts zult gij uw brood bekomen,

Tot dat gij aarde werdt, waarvan gij zijt genomen.

Toen zich den gulden eeuw' het onderst' boven wendde

(Gelijk een wankel rad) met droefheid en ellende,

Den zilv'ren eeuwe kwam, daar Jupiter van droeg

Den scepter, die terstond op eenen and'ren boeg

Het groote wereld-schip deed wonderlijke zeilen,

Want hij 't twaalfmaandig jaar ging in vier deelen deilen[52]:

Toen werd men eerst gewaar des zomers heeten brand,

En 's winters strenge koû, de dorrigheid van 't land:

Toen liep eerst ieder een ontschuilen in de klippen,

't Rood zomers aangezicht, en 's winters blaauwe lippen,

En de ossen men in 't juk al hijgende en bezweet

Door onzes moeders[53] borst 't krom kouter trekken deed.

De complete werken van Joost van Vondel. Vergelijking van de Verlossinge der Kindren Israels met de Vrijwording der Vereenigde Nederlandsche Provinciën, [etc.] · 第 31 / 105 题