(ADAM IN 'T PARADIJS.)
Twee werelden ziet hier, d' een groot en d' ander kleen,
Die wonderlijk te zaam zich[40] dragen[40] overeen.
1 _Pet._ 1:
Al 's menschen heerlijkheid, al 's menschen pracht en roeme,
Is niet als gras en hooi, of als een veldsche[41] bloeme.
Aanschouwer, of het u een dwaasheid docht verwijtel[42]
Dat 't redelijke dier[43] onaardig met den tytel
Van Kleine Wereld[44] werd gecierd en afgemaald[45],
Ik bid's u, op dit beeld' eens met uw aanzicht straalt[46]
Den mensen, den kleinen mensch toont u in korter[47] stonde,
Kleen zijnde, 't heel begrijp van 's werelds groote ronde.
God heeft den grooten AL door 't eeuwig woord geteeld,
Hij is den Schepper ook van dit zoet-apig[48] beeld:
Zee, hemelen, en aard' bestaan in vier hoofd-stoffen,
Zoo doet dit schepsel ook; is dat niet juist getroffen?
Zijn gramschap is het vuur, zijn roode bloed de locht,
Zijn vochtige natuur het water koud en vocht,
En zijn zwaarmoedigheid is de aarde droef en duister.
Heeft 't koninklijk paleis des werelds, vol van luister,
Oost, Westen, Zuid en Noord, voor open poorten vier,
't Is even eens gesteld met dit twee-ledig dier:
Zijn rechter is het Oost, zijn slinker hand het Weste[49],
Zijn hoofd het Zuiden, en zijn voeten 't Noordsch geweste.
De groote wereld heeft twee wakkere oogen staan
In 't hoofd, de eene is de zon, en de ander is de maan;
De kleine van gelijk twee glinsterende kolen
In zijnen hemel draagt, om 's daags noch 's nachts te dolen:
Ja, niets en is het groot getimmer meêgedeeld,
Dat niet in 't aanzicht van het kleine boussel[50] speelt.
Den grooten Globus rolt, en werd[51] steeds voortgedragen,
Van lenten, zomer, herfst en winter, met zijn vlagen;
Den kleinen van gelijk zijn kindschheid wederom,
Zijn jeugd, zijn manheid heeft, en zijnen ouderdom.
Kort om, den grooten AL heeft zijn begin en ende,
Den kleinen komt met druk, en scheidt weêr met ellende,
En dus zij beidegaâr verdwijnen als een rook,
Want zoo de wereld is, zoo zijn de menschen ook,
Behalven dat den mensch zal worden nieuws-herboren,
En uit den grave opstaan, als alles is verloren.