EERSTE AFDEELING.

De Huid.

De huid (cutis), waarmede het geheele menschelijke lichaam is

overtrokken, is bij de vrouw zachter en fijner dan bij den man. Zij

bestaat uit drie opvolgende lagen: opperhuid (epidermis), lederhuid

(corium of derma) en onderhuidsch celweefsel. Bij het Kaukasische

menschenras (waartoe wij behooren) is de huid geel-wit van kleur; in

de okselholte, aan borsttepel en tepelkring, alsmede aan de uitwendige

geslachtsdeelen neemt zij een donkerder tint aan.

De huid bevat haren, smeer- en zweetklieren. De in de huid wortelende

haren zijn bij den man op meer plaatsen aanwezig dan bij de vrouw. Bij

de vrouw komen zij voor op het behaarde gedeelte van het hoofd,

hier zelfs in rijke hoeveelheid, vervolgens in de okselholte en op de

schaamdeelen; bij vele vrouwen ontwikkelen zich op 45- à 50 jarigen,

den zoogen. climacterischen leeftijd, ook op de lip en de kin dikke,

sterke haren, die bij sommigen harer een werkelijken baard vormen.

De smeerklieren geven een vettige substantie af, welke langs het haar

naar buiten treedt. Zij zijn evenals de haren en de zweetklieren in

de twee bovenste lagen van de huid gelegen.

In de derde laag, het onderhuidsch celweefsel, pleegt zich vet op

te hoopen; bij de vrouw is dit in zoo aanzienlijke mate het geval,

dat de vormen hierdoor een voor haar karakteristieke volheid en

ronding verkrijgen.

De huid heeft verschillende bestemmingen te vervullen. Zij is zintuig

voor het gevoel, orgaan van afscheiding (zweet en huidsmeer) en helpt

mede de inwendige lichaamstemperatuur op bepaalde hoogte te houden.

Het Geraamte.

De grootte van het lichaam en de lichaamsgestalte worden in hoofdzaak

bepaald door de beenderen, die onderling verbonden het geraamte

(sceleton) vormen. Zij worden verdeeld in lange of pijpbeenderen,

breede of platte beenderen en korte beenderen. Sommige beenderen,

zooals de schedelbeenderen, kunnen zich ten opzichte van elkander

niet bewegen; andere, zooals die der ledematen, wèl. De beweging

komt tot stand in de gewrichten. Deze worden gevormd, doordien

twee tegen elkander passende en beweeglijke beenuiteinden door een

gemeenschappelijk kapsel worden omgeven en aldus los aan elkander zijn

verbonden. Over de gewrichtskapsels heen liggen banden (ligamenta),

die de verbinding versterken.

Het geraamte wordt ingedeeld in schedel, romp en ledematen.

De schedel is samengesteld uit 22 beenderen, die grootendeels behooren

tot de breede, platte beenderen; 8 er van dienen tot vorming van

de hersenpan (cranium), de 14 overige zijn de aangezichtsbeenderen

(ossa faciei). Met uitzondering van het onderkaaksbeen, zijn al de

beenderen van het hoofd vast en onbeweeglijk met elkaar verbonden.

Er is slechts een zeer gering onderscheid in de schedels van mannen en

vrouwen. Alleen bij nauwkeurige vergelijking ziet men de ontleedkundige

verschillen aan sommige onderdeelen van de beenderen. Het voornaamste

en meest in het oog vallend verschil is, dat de schedel van de vrouw

lager en vlakker is dan die van den man en dat dientengevolge de

bovenste rand van het voorhoofd met de vlakte van de hersenpan bij

de vrouw een afgeronden hoek vormt, daarentegen bij den man deze

overgang eenigszins schuin naar boven loopt. De schedelbeenderen zijn

bij mannen dikker dan bij vrouwen.

De romp bestaat uit de wervelkolom (columna vertebralis), het borstbeen

(sternum) en de ribben (costae). Hoewel het uit een ontleedkundig

oogpunt niet juist is, rekent men toch gewoonlijk bij den romp ook het

bekken. Dit bestaat uit drie deelen, de heupbeenderen, het heiligbeen

en het stuitbeen.

De heupbeenderen nu moest men eigenlijk bij de ledematen rangschikken,

evenals dit geschiedt met sleutelbeen en schouderblad. Het heiligbeen

en het stuitbeen echter maken deel uit van de wervelkolom en zijn

te beschouwen als onderling vergroeide wervels. Overigens bestaat

de wervelkolom uit wervels, die hoewel stevig aan elkaar verbonden,

toch ten opzichte van elkander beweeglijk zijn.

Men onderscheidt 7 hals-, 12 borst- en 5 lenden_wervels_.

De wervelkolom is aan het halsgedeelte eenigszins naar voren, aan

het borstgedeelte sterk naar achteren en aan het lendengedeelte weder

sterk naar voren gebogen. De sterkste buiging naar voren valt samen

met den ondersten rand van den ondersten lendenwervel en heet daar

voorgebergte (promontorium). _Fig. 1 d._

De vrouwelijke wervelkolom heeft in verhouding een langer

lendengedeelte dan de mannelijke, de bocht naar voren begint iets

hooger.

De _borstkas_ (thorax) wordt gevormd door het borstbeen en de

ribben. Het borstbeen (sternum), waaraan men de greep (manubrium),

kling (corpus) en punt (processus xyphoideus) onderscheidt, is

zijdelings met 7 ribben verbonden. _Fig. 2._.

Het vrouwelijk borstbeen heeft een breeder greep en een smaller,

langer kling dan het mannelijke.

De borstkas telt _twaalf_ paar _ribben_. De 7 met het borstbeen

vergroeide heeten ware ribben (costae verae), de 5 onderste paren,

die het borstbeen niet meer bereiken, noemt men valsche ribben

(costae spuriae).

Bij de vrouwen zijn de ribben niet zoo sterk gebogen als bij de mannen,

terwijl bij haar de twee paar eerste ribben betrekkelijk langer zijn.

De vrouwelijke borstkas vertoont in haar geheel een ronderen vorm

dan de mannelijke. Zij is korter, smaller, maar wijder.

Bij vrouwen, die nauwsluitende corsetten dragen, zich rijgen, zooals

men het noemt, schuiven de valsche ribben over elkander en wordt de

ruimte van de borstkas verkleind. Zoowel de borst als de buikorganen

worden hierdoor van hun plaats gedrongen.

De beenderen van de bovenste en onderste ledematen bestaan uit

verschillende afdeelingen. Aan de bovenste ledematen onderscheiden

wij schouder, bovenarm, onderarm en hand. De schouder bestaat uit

sleutelbeen (clavicula), _Plaat V No. 13_, en schouderblad, (scapula),

_Plaat V No. 17_. Het sleutelbeen van de vrouw is naar verhouding

langer dan dat van den man.

De bovenarm bezit slechts één been, het bovenarmbeen (os humeri),

_Plaat V No. 18_, dat bij de vrouw korter is dan bij den man. De

onderarm is samengesteld uit ellepijp (ulna) en armpijp (radius).

Aan de hand onderscheidt men den uit 8 kleine beenderen gevormden

handwortel (carpus), de 5 middelhandsbeenderen (metacarpi) en de

beenderen van de 5 vingers (phalanges digitorum manus).

De handen van vrouwen zijn in den regel korter en smaller dan die

van mannen.

De onderste ledematen bestaan, voor zoover wij het heupbeen buiten

beschouwing laten, uit bovenbeen, onderbeen en voet.

Het bovenbeen bestaat alleen uit het dijbeen (os femoris), _Plaat V

No 23_, dat bij vrouwen aanmerkelijk korter is dan bij mannen. Ook

is de stand van het bovenbeen ten opzichte van den romp bij vrouwen

anders. Bij de vrouw loopen de bovenbeenen van boven naar beneden

min of meer naar elkaar toe, en zijn tegelijkertijd eenigszins

buitenwaarts gedraaid.

Het onderbeen bestaat uit scheenbeen (tibia) en kuitbeen (fibula).

De beenderen van den voet worden, evenals die van de hand, verdeeld

in beenderen van den voetwortel (ossa tarsi) van den middelvoet (ossa

metatarsi) en van de teenen (phalanges digitorum pedis). Vrouwenvoeten

zijn korter en breeder dan mannenvoeten.

Thans keeren wij terug tot het _bekken_, dat, zooals gezegd is, gevormd

wordt door het heiligbeen, het stuitbeen en de beide heupbeenderen.

Aan het geraamte is het verschil in geslacht nergens zoo duidelijk

merkbaar als aan het bekken. Het vormverschil van dit lichaamsdeel is

van groote beteekenis voor de taak, die het gedurende de zwangerschap

en bij de bevalling vervult.

Het _heiligbeen_ (os sacrum), _Fig. 4 d_, dat tusschen de beide

heupbeenderen als 't ware ingeschoven en onbeweeglijk daarmede

verbonden is, bestaat uit 5, tot één geheel vergroeide, valsche

wervels. De vergroeiing begint meestal in het 16e levensjaar en eindigt

tegen het 30e jaar. De wervels zijn zoodanig aaneengegroeid, dat het

heiligbeen van voren een holle en van achteren een bolle vlakte heeft.

Het heiligbeen van een vrouw is breeder, korter en minder gebogen dan

dat van een man; ook is zijn lengteas meer naar achteren gericht. Van

den vorm van het heiligbeen hangt grootendeels de grootte en gedaante

van het bekken af, zoodat dit been het meest bijdraagt tot vorming

van het geslachtstype. De zichtbare holten in het heiligbeen dienen

tot doortocht van zenuwen en bloedvaten; het heiligbeen is met het

stuitbeen (os coccygis), _Fig. 4 e_, beweeglijk verbonden.

Het _heupbeen_ (os innominatum), _Fig. 3_, dat een pendant van

het schouderblad genoemd kan worden, wordt gevormd door de beenige

vergroeiing van drie afzonderlijke stukken, waarvan het grootste en

bovenste stuk het _darmbeen_ (os ileï), het onderste het _zitbeen_

(os ischiï) en het zijdelingsche het _schaambeen_ (os pubis) genoemd

wordt. Eerst op ongeveer 16-jarigen leeftijd is de volkomen vergroeiing

dezer drie deelen voltooid.

Het _darmbeen_ ontleent zijn naam aan de taak, die het vervult om

een deel van de darmen te dragen. Zijn bovenste rand is boogvormig

gekromd en draagt den naam van darmbeenskam (crista ossis ileï),

_Fig. 3 a_; die rand is bij de meeste menschen gemakkelijk door de

buikbekleedselen heen te voelen.

Het _zitbeen_ wordt verdeeld in drie deelen: het lichaam, den

neerdalenden tak en den opklimmenden tak. Het lichaam vormt het

onderste gedeelte van de heupkom. De nederdalende tak, _Fig. 3 c_,

eindigt van onderen in een sterken knobbel, den zitbeensknobbel

(tuberositas ossis ischiï), waarop bij het zitten de geheele

lichaamslast rust.

Het _schaam_been wordt verdeeld in een horizontalen en een neerdalenden

tak. De horizontale tak, _Fig. 3 e_, helpt nog mede aan de vorming

van de heupkom, _Fig. 3 b_. Met een breede, ruwe vlakte, _Fig 3. h

h_, grenst hij aan den gelijknamigen tak van de andere zijde en

is daarmede verbonden. Deze verbinding heet schaambeensvereeniging

(symphysis ossium pubis). _Fig. 4 a_.

De heupkom van het heupbeen dient tot gewrichtsholte voor het hoofd

van het dijbeen. Door middel van dit gewricht, het heupgewricht,

steunt het geheele bovendeel van het lichaam in staande houding op

de onderste ledematen.

Het heupbeen bezit een groote ovale opening (foramen obturatum),

_Fig. 3 g_, die, op een kleine ruimte na, door een vlies gesloten

wordt.

Het vrouwelijke heupbeen is van het mannelijke te onderkennen door

een korter en smaller darmbeen en een korter zitbeen; daarentegen is

de horizontale tak van het schaambeen langer. De zitbeenknobbels zijn

bij vrouwen verder van elkander gelegen dan bij mannen.

Men verdeelt het bekken in het groote en het kleine bekken. Het groote

bekken vormt als het ware een voortzetting van de buikholte. Het

gaat van onderen trechtervormig in het kleine bekken over. Deze

overgangsplaats, de ingang van het kleine bekken (apertura pelvis

superior), _Fig. 4 b_ en _Fig. 5 a_, wordt begrensd door een lijn,

die linea terminalis of innominata heet. Bij den man neemt deze lijn,

door de sterker voorwaartsche buiging van het voorgebergte, een min

of meer hartvormige gedaante aan, terwijl zij bij de vrouw eirond

is. _Vergelijk Fig. 4 b_ en _5 a_.

Het kleine bekken vormt een holte, die naar onderen kegelvormig

toeloopt. De onderste opening is daardoor kleiner dan de bovenste;

zij heeft zoowel bij de vrouw als bij den man een hartvormige gedaante.

Het _stuitbeen_, dat beweeglijk met het heiligbeen is verbonden,

kan naar achteren wijken, waardoor de onderste opening belangrijk

verruimd wordt. Dit bevordert een gemakkelijke bevalling.

Eindelijk onderscheidt zich het vrouwelijk bekken nog van het

mannelijke daardoor, dat het eerste zwakker gebouwd en korter en wijder

is. Wegens deze laatste eigenschappen behoeft het kind bij de geboorte

kleiner afstand in het bekken af te leggen en kan dit gemakkelijker

geschieden. Van de wijdte van het bekken hangt het meestal af, of de

bevalling een natuurlijk verloop neemt. Het is daarom van groot belang,

dat de verloskundige deze wijdte reeds vóór de bevalling bepalen kan.

Bij jonge kinderen is het verschil in geslacht aan den vorm van het

bekken nauwelijks waar te nemen, hoewel de later duidelijk uitgesproken

verschillen toch reeds in beginsel aanwezig zijn. Eerst gedurende

de ontwikkeling van de geslachtsorganen neemt het bekken voor beide

geslachten zijn afzonderlijken vasten vorm aan. Hiertoe werken vele

factoren mede. De druk van het gewicht van den romp en het verschil

in groei van enkele onderdeelen van het bekken oefenen daarbij wel

den meesten invloed uit. Doch ook sommige ziekten gedurende het

ontwikkelingstijdperk en de levensomstandigheden der meisjes missen

haar uitwerking niet.

De vroegere bewering, dat ook de meerdere of mindere beschaving van een

volk invloed uitoefent op den vorm van het bekken, is gebleken onjuist

te zijn. Wel komen er bij verschillende volkeren ook verschillende

bekkenvormen voor, maar daarvoor bestaan andere oorzaken.

Een denkbeeldige lijn van boven naar onderen, midden door het bekken

getrokken, zoodanig dat zij overal op gelijken afstand van de wanden

blijft, noemt men de middellijn of as van het bekken. Zij vormt een

naar voren gerichten hollen boog. Wat door het bekken gaat, dus ook het

kind bij de geboorte, moet zich in de richting van deze lijn bewegen.

Door de zachte deelen, waarmede het bekken in- en uitwendig bekleed

is, schijnt het voorkomen een ander dan het beschrevene te zijn.

Zoo wordt de ingang van het kleine bekken van achteren door het dikke

gedeelte van de groote lendenspieren bekleed en ondergaat daardoor

een geringe vernauwing. _Plaat V No. 64_. In liggende houding met

opgetrokken knieën ontspannen zich de groote lendenspieren en wordt

die vernauwing daardoor voor een groot gedeelte geneutraliseerd.

De grootste verandering in voorkomen ondergaat wel de

bekken_uitgang_. Terwijl deze bij het skelet geheel open is, wordt hij

in werkelijkheid, bij het levende individu, door sterke peesvliezen

en door spieren bijna geheel gesloten en hij behoudt bij de vrouw

slechts drie kleine openingen.

De achterste opening is de aars (anus), de middelste de mond

der scheede (ostium vaginae) en de voorste de opening der pisbuis

(urethra). Deze openingen zijn alle drie omgeven door sluitspieren,

die aan den wil onderworpen zijn.

Het gedeelte, tusschen aars en scheede gelegen, wordt bilnaad

(perineum) genoemd. Deze vliezige spiermassa gaat aan weerszijden,

zonder bepaalde grenzen, in de binnenste vlakte der beenen over. Van

den mond der scheede af tot aan den aars neemt de bilnaad in dikte

toe. De vrouwelijke bilnaad is korter en breeder dan de mannelijke.

De Spieren.

Het geraamte is bijna geheel omgeven door spieren. Zij vormen de

vleeschmassa van het lichaam en zijn door middel van pezen aan de

beenderen verbonden. Een spier is samengesteld uit evenwijdig loopende

spiervezels, die tot een bundeltje zijn vereenigd, hetwelk door een

dun bindweefselvliesje omgeven is. Vele zulke bundeltjes vereenigen

zich tot groote bundels, die dan telkens weder omgeven worden door een

bindweefselkokertje, totdat zij ten slotte de geheele spier vormen,

die dan in haar geheel omhuld wordt door een dikker vlies.

Bij krachtig ontwikkelde spieren, een gevolg van geregelde

werkzaamheid, zijn de afzonderlijke spiervezels in aantal toegenomen

en heeft de spier daardoor een grooter omvang verkregen. Voortdurende

rust en werkeloosheid van een spier veroorzaakt omvangsvermindering

(atrophie).

De werkzaamheid der spieren bestaat in het zich samentrekken; het

is dan alsof de vleeschmassa der spier zwelt en harder wordt. Werkt

een spier, dan heeft er in haar weefsel een scheikundig proces

plaats, waarbij ontledingsproducten ontstaan, die door het bloed

worden weggevoerd. Worden deze ontledingsproducten niet snel genoeg

verwijderd, dan hoopen zij zich tijdelijk in het weefsel der spier

op en veroorzaken het gevoel van vermoeidheid. Een spier, die niet

voortdurend saamgetrokken is, doch afwisselend werkt, kan veel langer

doorwerken zonder vermoeid te worden, dan een, die wel voortdurend

saamgetrokken is. Vandaar dat het staan, waarbij immers ook spieren

werkzaam zijn en wel onafgebroken dezelfde, meer vermoeit dan het

gaan, of dat men beter een halven dag onafgebroken met armen en handen

kan werken, dan 10 minuten een licht voorwerp met uitgestrekten arm

onbeweeglijk vasthouden.

Men onderscheidt de spieren in _willekeurige_ en _onwillekeurige_. De

willekeurige spieren gehoorzamen aan den wil; wij hebben het in

onze macht, ze te doen samentrekken of werkloos te houden. Haar

spiervezels zijn, onder het mikroskoop gezien, dwarsgestreept. Al

de spieren van het hoofd, den romp en de ledematen behooren tot de

willekeurige spieren.

De samentrekking der onwillekeurige spieren hebben wij niet in onze

macht. Men vindt ze in de bloedvaten, in de baarmoeder, in de maag, in

de darmen, enz. In de laatste zijn zij het bijv., die de voortbeweging

van het voedsel tot stand brengen. Onder het mikroskoop gezien,

vertoonen die spieren geen dwarse strepen.

Bij man en vrouw komen over het geheele lichaam dezelfde spieren

voor, die ook in bouw, vorm en verrichting geen werkelijk verschil

aanbieden. Slechts de spieren van de geslachtsorganen wijken hiervan

uit den aard der zaak af.

_Plaat II_ geeft een groot aantal spieren van de voorzijde van het

lichaam te zien, die genummerd werden en waarvan de namen achter de

overeenkomstige nummers in de bijgevoegde beschrijving te vinden zijn.

Alleen zij hier nog vermeld, dat het lieskanaal, _Plaat II No. 41_,

van de vrouw langer en nauwer is dan dat van den man, waardoor

verklaard wordt, dat liesbreuken bij mannen veelvuldiger voorkomen

dan bij vrouwen.

Een liesbreuk toch ontstaat, wanneer een buikingewand, bijv. een

darmlis door het lieskanaal uitzakt.

De Bloedsomloop.

Het bloed bestaat uit een licht-geel vocht, bloedplasma, waarin

zich millioenen van mikroskopisch kleine celletjes bevinden, de

z.g. bloedlichaampjes. Het grootste deel daarvan is rood gekleurd;

de overige zijn kleurloos.

Het bloed vervult in het lichaam de rol van zuurstof in de longen en

voedingsstoffen in de spijsverteringsorganen op te nemen en over te

brengen naar de verschillende deelen van het lichaam, om daarna de in

die lichaamsdeelen ontstane onbruikbare stoffen weg te voeren naar de

plaatsen, vanwaar zij uit het lichaam verwijderd kunnen worden. Te dien

einde is het noodzakelijk, dat het bloed aanhoudend door het lichaam

stroomt. Deze strooming, die men den bloedsomloop of kringloop noemt,

komt tot stand door samentrekkingen van het hart.

Het hart (cor) is een holle, kegelvormige spier, _Plaat III No. 1-4_,

die in de borstholte links van haar middellijn gelegen is, doch nog

gedeeltelijk door het borstbeen bedekt wordt. Het ligt tusschen de

beide longen. De breede basis van het hart is schuin naar boven en

zijn top naar beneden gekeerd. Die top, de punt van het hart genoemd,

ligt tusschen de 5e en 6e linker rib.

De grootte van het hart komt in den regel overeen met de grootte van

de vuist. Een vrouwenhart is dikwijls in verhouding iets kleiner dan

een mannenhart.

De holte van het hart wordt door een middenschot in een rechter en

linker helft verdeeld. _Plaat V No. 28-32_. Beide helften bestaan

echter weder uit twee deelen, een kamer (ventriculus) en een voorkamer

(atrium). Hartoor (auriculum cordis) noemt men het aanhangsel, dat

aan elke voorkamer zit. _Plaat III No. 3 en 4_.

Het hart is dus in vier ruimten verdeeld, twee kamers en twee

voorkamers, die ieder een zelfde hoeveelheid bloed kunnen bevatten.

De voorkamers zijn wel is waar kleiner dan de kamers, doch zij kunnen

niettemin dezelfde hoeveelheid bloed bevatten, omdat zij dunne

vliezige wanden bezitten, die zich verder kunnen uitzetten dan de

dikke spierwanden van de kamers.

Iedere voorkamer staat met de bij haar behoorende kamer in verbinding

door een opening, welke door een vlies, het klapvlies, kan afgesloten

worden.

Wij kunnen den bloedsomloop het gemakkelijkst volgen, wanneer wij

ons als in _Fig. 6_, dien kringloop enkelvoudig voorstellen. Uit

de _linker_ kamer, _Fig 6 a_, stroomt het bloed in de groote

lichaams_slagader_ (aorta). Deze gaat eerst met een boog naar boven,

_Plaat III No. 5 en 6_, kromt zich dan naar beneden en verloopt langs

de wervelkolom. Op haar weg geeft zij tal van slagaderen af, die naar

de verschillende deelen van het lichaam gaan. (In _Fig. 6_ is daarvoor

enkel de boog _b_ genomen.) Ieder van die slagaderen verdeelt zich

op haar beurt weder en vormt steeds fijnere slagaderen, totdat ten

slotte deze kanaaltjes mikroskopisch fijn worden en dan haarvaten of

capillairvaten genoemd worden. _Fig. 6 c_. De kracht, die noodig is om

het bloed door al die groote en kleine vaten te drijven, is zeer groot;

van daar dat de spiermassa van de linker kamer sterk ontwikkeld is.

De capillairvaten bezitten een zeer dunnen wand, die gemakkelijk vocht

doorlaat; daardoor kan het bloed, dat door de capillairvaten stroomt,

het vocht, waarin de voedingsstoffen voor de weefsels aanwezig zijn,

afgeven en de onbruikbare stoffen, ontledingsproducten, uit de weefsels

in zich opnemen.

Nadat deze uitwisseling van stoffen is volbracht, vereenigen zich de

capillairvaten weder tot wijdere vaten (aderen), _Fig. 6 e_, die tot

nog steeds wijdere samenkomen en eindelijk het bloed verzamelen in de

twee groote lichaams_aderen_ (vena cava superior et inferior), _Plaat

III No. 9 en 10_, welke in de _rechter_ voorkamer uitmonden. _Fig. 6

f_.

Zoodra het bloed in de rechter voorkamer aangekomen is, trekt deze

zich samen en wordt het naar de rechter kamer geperst. _Fig. 6 g_.

Daarop volgt de samentrekking van de _rechter_ kamer. Het klapvlies,

dat tot dusverre de opening tusschen voorkamer en kamer vrij liet,

drukt zich nu tegen die opening zoodanig aan, dat het haar geheel

afsluit. Het bloed kan daardoor niet naar de voorkamer terug en zoekt

een uitweg door het bloedvat, dat naar de longen gaat. _Fig. 6 h_. Ook

dit vat ondergaat spoedig een verdeeling, er ontstaan telkens kleiner

vaten en ten slotte weer capillairvaten, _Fig. 6 i_, die zich daarna

weder vereenigen en eindelijk samenkomen in een groot vat, de longader,

_Fig. 6 j_, welke in de _linker_ voorkamer, _Fig. 6 k_, uitmondt.

Op den weg door de capillairvaten van de long neemt het bloed de

ingeademde zuurstof in zich op en komt daarvan voorzien in de _linker_

voorkamer aan.

Zoodra deze gevuld is, volgt de samentrekking en wordt het bloed

gestuwd naar de linker kamer, vanwaar dit opnieuw zijn kringloop

begint. Reeds werd opgemerkt, dat ook op de grens tusschen _linker_

voorkamer en kamer zich een klapvlies bevindt. Bij contractie van de

linker kamer sluit dit den weg naar de voorkamer en belet daardoor

het terugstroomen van het bloed.

Het van zuurstof voorziene, z.g. slagaderlijk bloed bezit een

helderroode kleur en loopt door de slagaderen (arteriae) naar de

weefsels. Keert het nu door de aderen (venae) naar het hart terug,

nadat het de zuurstof heeft afgegeven, dan is het z.g. aderlijk bloed

donkerrood, blauwachtig van kleur. Als zoodanig komt het ook in de

rechter voorkamer aan, doch zal weldra, na door de rechter kamer te

zijn gegaan, in de longen treden en daar nieuwe zuurstof opnemen,

koolzuur en andere gassen afgeven en weer als slagaderlijk bloed het

linker hart bereiken.

Telkens wanneer de kamers zich samentrekken, stoot het hart met de punt

tegen den borstwand; men kan zich hiervan overtuigen door den vinger

te plaatsen tusschen de 5e en 6e rib en wel eenigszins links onder

den linker borsttepel. Bij iedere samentrekking van het linker hart

wordt een bloedgolf door de slagaderen gedreven: op sommige plaatsen

van het lichaam is dit nu duidelijk voelbaar als men den vinger op de

slagader laat rusten. Men noemt dit den polsslag. Polsslag en hartslag

geven beide dus te kennen, dat er een samentrekking van de kamers

plaats heeft. Linker en rechter kamer doen dit bijna gelijktijdig.

Bij den gezonden, volwassen mensch geschiedt dit 65 à 80 maal in de

minuut; bij kinderen slaat de pols sneller, bij pasgeborenen ongeveer

140 maal in de minuut. Volgens sommigen bestaat een gering verschil

in de snelheid van een vrouwen- en een mannenpols. Zij nemen aan, voor

mannen gemiddeld 70, voor vrouwen gemiddeld 76 slagen in de minuut.

Allerlei omstandigheden oefenen, ook in gezonden toestand,

invloed uit op de snelheid van den pols. Zij ondergaat

verandering na lichaamsinspanning, na het eten, in den slaap, bij

temperatuursverandering, enz.

Het geheele hart en een gedeelte van de bloedvaten, die er uitkomen

en er in terugkeeren, zijn door een vliezigen zak, het hartzakje

(pericardium) omgeven. Dit zakje is iets grooter dan het hart;

voorzoover het niet geheel met het hart wordt gevuld, is de ruimte

door vocht ingenomen.

_Plaat III_ geeft een duidelijk beeld van de ligging en van den vorm

van het hart en van de voornaamste slagaderen en aderen.

De _slagaderen voor de geslachtsorganen_ gaan van de zaadslagaderen

(arteriae spermaticae internae) uit, _Plaat III No. 23_. Gedurende de

zwangerschap, doch ook bij verschillende baarmoederziekten nemen zij

zeer sterk in doorsnede toe. Deze toename houdt gelijken tred met de

omvangstoename van de baarmoeder. Zoowel de stam van de zaadslagader

als haar vele vertakkingen nemen er aan deel. Daardoor voert dit

netwerk van vaten in zulke gevallen een groote hoeveelheid bloed aan

de baarmoeder toe.

Tot het vaatstelsel behooren ook de lymphvaten of watervaten. Om

zich hiervan een juiste voorstelling te vormen, bedenke men, dat de

capillairvaten in weefselspleten liggen en daarin voedingsvocht voor de

weefsels afgeven. Het niet verbruikte vocht met de ontledingsproducten

moet nu een uitweg hebben. Voor een deel wordt het, zooals wij gezien

hebben, met het aderlijk bloed weggevoerd. Voor zoover dit niet het

geval is, vloeit het weg door vaatjes, welke door vereeniging der

weefselspleten ontstaan. Het vocht noemt men lymph en de vaatjes

lymphvaten. De lymphvaten vereenigen zich tot één groot lymphvat en

dit mondt uit in een groote ader.

Het Zenuwstelsel.

De verrichtingen van de afzonderlijke organen van het lichaam worden

door middel van het zenuwstelsel tot één geheel vereenigd.

Men verdeelt het zenuwstelsel in een _centraal_ en een _peripheer_

gedeelte. Tot het centraal gedeelte behooren de hersenen en het

ruggemerg.

In het centraal gedeelte van het zenuwstelsel ontstaan de prikkels,

die de werking der spieren opwekken en worden de indrukken, door de

zintuigen ontvangen, in voorstellingen en gewaarwordingen omgezet. Het

wordt tevens gehouden voor den zetel van het verstand.

Het periphere gedeelte van het zenuwstelsel bestaat uit zenuwen

(nervi), die als leidraden, prikkels en indrukken overbrengen en de

verschillende organen met het centrale zenuwstelsel in verbinding

brengen.

De hersenen (encephalon) zijn in de schedelholte besloten. Ze zijn door

drie vliezige hulsels omgeven, die, van buiten naar binnen gerekend,

onderscheiden worden in harde hersenvlies (dura mater), spinnewebsvlies

(arachnoidea) en zachte hersenvlies (pia mater).

De bouw der hersenen is zeer gecompliceerd. Hier zij alleen vermeld,

dat zij verdeeld worden in groote hersenen (cerebrum), kleine hersenen

(cerebellum) en het verlengde merg (medulla oblongata). Zij bestaan

uit twee helften, die aan elkander gelijk zijn.

De hersenoppervlakte heeft boogsgewijs gekronkelde verhevenheden;

deze verhevenheden worden gyri genoemd, terwijl de daartusschen

liggende sleuven sulci genoemd worden. _Plaat IV No. 1_.

De beide helften van de groote hersenen zijn door den zoogen. balk

(corpus callosum) met elkander verbonden, terwijl de beide helften der

kleine hersenen in de brug van Varol (pons Varoli) hun verbindingspunt

vinden. _Plaat IV No. 2_.

Het verlengde merg verlaat de schedelholte door het achterhoofdsgat

en gaat in het ruggemerg over. _Plaat IV No. 3_.

Men heeft het er langen tijd voor gehouden, dat de hersenen van de

vrouw lichter zouden zijn dan die van den man. Vroegere onderzoekers

beschouwden het gewicht der hersenen in verhouding tot de lengte

van het lichaam en kwamen daardoor tot een foutief resultaat. In

den laatsten tijd heeft men redelijker gehandeld. Men bepaalde het

hersengewicht in verband met het lichaamsgewicht en kwam zoodoende

tot het resultaat, dat de hersenen der vrouwen minstens even zwaar,

doch veelal iets zwaarder zijn dan die der mannen. Het is evenwel

te begrijpen, dat men uit deze berekening niet mag concludeeren tot

meerdere of mindere intelligentie van een der beide geslachten.

Ook is beweerd dat verschil in verhouding van de hersendeelen onderling

was toe te schrijven aan geslachtsverschil. Men meende namelijk ontdekt

te hebben, dat de voorhoofdskwabben van de hersenen in verhouding

tot zijn overige deelen bij den man grooter waren dan bij de vrouw

en omdat men altijd had aangenomen dat aldaar het verstand zetelde,

was de uitkomst van het onderzoek geen verrassing. Het is evenwel

gebleken, dat deze ontdekking aan onjuiste waarnemingen moest worden

toegeschreven. Onderzoekers van lateren tijd hebben aangetoond, dat

de voorhoofdskwabben van de vrouw beter ontwikkeld zijn dan die van

den man en hoewel het verschil zeer gering is, het overwicht toch

is aan de zijde der vrouw. Laat mij onmiddellijk hieraan toevoegen,

dat men in den laatsten tijd twijfel is gaan opperen, of het verstand

wel in de voorhoofdskwabben zetelt.

Nog andere kenmerkende verschillen heeft men gemeend te vinden,

doch telkens bleken zij den toets van het onderzoek niet te kunnen

doorstaan, zoodat men dan ook op dit oogenblik geen enkel belangrijk

punt van verschil tusschen de hersenen van mannen en vrouwen kan

aannemen en zeer zeker in geen enkel opzicht uit de verkregen

resultaten een besluit ten nadeele van het intellect der vrouw mag

trekken.

Keeren wij thans terug tot het ruggemerg (medulla spinalis), het

lange, cylindervormige gedeelte van het centrale zenuwstelsel, in

de holte van de ruggegraat gelegen en evenals de hersenen door drie

vliezen omgeven. _Plaat IV No. 4-7_. Het eindigt van onderen ter

hoogte van den 1en of 2en lenden wervel stomp kegelvormig (conus

medullaris), vanwaar een draadvormig uiteinde (filum terminale)

verder het ruggemergskanaal doorloopt.

Men onderscheidt drie soorten van zenuwen: gevoels-, bewegings-

en sympathische zenuwen.

Worden _gevoels_zenuwen geprikkeld, dan wordt die prikkel overgebracht

naar de hersenen en volgt een gewaarwording, bijv. van pijn of warmte,

van reuk of geluid.

De _bewegings_zenuwen eindigen alle in de spieren. Worden die zenuwen

geprikkeld, dan volgt samentrekking van de daarmede correspondeerende

spieren.

Gaan wij nu na, uit welke zenuwen de verschillende organen

hun zenuwtakken ontvangen, dan blijkt, dat de hersenen 12

paar hersenzenuwen leveren, terwijl uit het ruggemerg 31 paar

ruggemergszenuwen haar oorsprong nemen.

De 12 paar hersenzenuwen zijn bijna uitsluitend bestemd voor de

verschillende deelen van het hoofd. Zij voorzien de zintuigen van

zenuwtakken en geven verder gevoels- en bewegingszenuwen voor het

hoofd af.

De 31 paar ruggemergszenuwen worden bij haar oorsprong in twee takken

gescheiden, waarvan de voorste, de dikkere tak, bewegingszenuwen,

de achterste, gevoelszenuwen levert.

Deze ruggemergszenuwen zijn verdeeld in 8 hals-, 12 borst-, 5

lenden-, 5 heiligbeens- en 1, soms 2 stuitbeenszenuwen. Zij verlaten

alle het ruggemergskanaal door de voor hen bestemde opening in de

overeenkomstige wervels. Aangezien het ruggemerg op de hoogte van den

1en of 2en lendenwervel eindigt, moeten de lenden-, heiligbeens- en

stuitbeenszenuwen dus nog een eind in het ruggemergskanaal afleggen,

voor zij de voor ieder harer bestemde uitgangsopening in de wervels

bereiken. De zenuwen, die evenwijdig naar beneden loopen, geven een

eigenaardigen vorm aan het uiteinde van het ruggemerg, dat daarnaar

den naam van paardenstaart (cauda equina) verkregen heeft. Op _Plaat

IV_ is dit alles zeer juist afgebeeld.

De _sympathische_ zenuwen vormen een afzonderlijke groep. Zij vinden

haar oorsprong in twee dikke zenuwkoorden, die langs beide zijden van

de wervelkolom loopen. Zij begeleiden hoofdzakelijk de bloedvaten op

hun talrijke wegen en regelen de wijdte der kleine slagaderen.

De Spijsverteringsorganen.

De spijsverteringsorganen (organa digestionis) dienen tot opneming

en omzetting van voedingsstoffen; zij vormen een kanaal, waarvan

de mondholte (cavum oris) het begin en de aars (anus) het einde

vormt. Slechts het begin en het einde is aan den wil onderworpen.

De voedingsstoffen worden in de verschillende deelen van het

spijsverteringswerktuig omgezet in zoodanigen vorm, dat zij in het

bloed kunnen worden opgenomen en in de verschillende weefsels kunnen

worden afgescheiden om daar de verbruikte stoffen te vervangen. De

aanvoer van nieuwe voedingsstoffen moet gelijk staan met, of meer

zijn dan de verbruikte hoeveelheid, anders heeft er achteruitgang

van de weefsels plaats.

Het geheele voedingsproces berust op een scheikundige omzetting der

toegevoerde stoffen. De onbruikbare, niet tot opneming geschikte

bestanddeelen gaan tot aan het einde van het darmkanaal door, om daar

verwijderd te worden.

De spijsverteringsorganen zijn van het begin tot het einde met

slijmvlies bekleed. Dit slijmvlies is rijk aan slijmkliertjes en

bevat verder veel bloedvaten, lymphvaten en zenuwen.

De mondholte moet als het begin beschouwd worden. Zij vormt een holte,

van _boven_ begrensd door een naar voren gelegen hard en naar achteren

gelegen zacht gehemelte (palatum durum et molle). Achter aan het zachte

gehemelte bevindt zich de huig (uvula), die de keelholte schijnbaar

in twee helften verdeelt.

Het zachte gehemelte vertoont verder twee verheffingen, die als bogen

naar rechts en naar links verloopen; tusschen de _twee_ rechtsche

en tusschen de twee linksche booghelften ligt telkens een amandel

(tonsilla).

Aan beide _zijden_ wordt de mondholte begrensd door de wangen; daarin

verloopen de wangspieren (musculi buccinatores). _Plaat II No. 13_.

De _onderkant_ van de mondholte wordt grootendeels gevormd door de tong

(lingua); deze laat slechts een klein gedeelte van den eigenlijken

bodem der mondholte vrij. De tong bestaat uit spieren, waarvan de

vezelen in verschillende richtingen verloopen. Hierdoor worden de

meest verschillende bewegingen mogelijk gemaakt.

In de mondholte wordt het vaste voedsel gekauwd. Dit kauwen geschiedt,

doordien de onderkaak op en neer en ook in zijdelingsche richting

bewogen wordt; de bovenkaak staat vast. Onder het kauwen wordt de

spijsbrok voortdurend verplaatst en wel door middel van de tong,

de lipspieren en de wangspieren.

Tijdens het kauwen wordt het voedsel innig vermengd met speeksel, een

vocht, dat afgescheiden wordt door de speekselklieren, waarvan er aan

beide zijden een in de wang nabij het oor ligt: de oorklier (glandula

parotis), en die haar uitvoergang dwars door het wangslijmvlies

naar de mondholte zendt. Verder liggen nog twee paar speekselklieren

in de onderkaak: de onderkaaksklier (glandula submaxillaris) en de

ondertongsklier (glandula sublingualis). Van beide paren komen de

uitvoergangen onder de tong uit.

Door de vermenging met speeksel wordt het doorslikken van de spijsmassa

vergemakkelijkt en wordt reeds een gedeelte van het voedsel,

bijv. hetgeen uit meel bestaat, zoodanig scheikundig veranderd,

dat het geschikt wordt om later in het bloed te worden opgenomen.

Is het voedsel gekauwd, dan wordt het ingeslikt en vervolgt daarna

zijn weg door den slokdarm (oesophagus), _Plaat V No. 39_. Van den

slokdarm komt het in de maag.

De maag (ventriculus) ligt voor de grootste helft in het linker

bovenste gedeelte van de buikholte. Zij stoot van boven aan

het middelrif, links van haar ligt de milt en achter haar de

alvleeschklier, terwijl zij rechts gedeeltelijk door de lever

bedekt wordt. De plaats, waar de slokdarm in de maag overgaat, is de

maagingang (cardia) en de overgang van de maag in den twaalfvingerigen

darm heet portier (pylorus). Tusschen den maagingang en den maaguitgang

ligt de wijde, naar onderen en links sterk uitgebogen zak, de

grondvlakte van de maag (fundus ventriculi). _Plaat V No. 40_.

Aan den pylorus wordt de maag van den twaalfvingerigen darm gescheiden

door een kringspier, welke van tijd tot tijd geopend wordt om voedsel

door te laten.

Het spijsverteringsproces, reeds in de mondholte aangevangen, wordt

in de maag voortgezet en wel door middel van een vocht, het maagsap,

dat door het maagslijmvlies wordt afgescheiden en voornamelijk bestaat

uit pepsine en zoutzuur.

Dit vocht bezit het vermogen, het eiwit van het voedsel meer geschikt

te maken tot opneming in het bloed. Door samentrekking van de in

den maagwand gelegen spieren wordt het voedsel innig met het maagsap

saamgekneed.

Van tijd tot tijd gaat nu, zooals gezegd is, een deel van den

maaginhoud in den twaalfvingerigen darm (duodenum) over. Men verdeelt

den darm in dunnen en dikken darm.

De dunne darm bestaat weer uit drie deelen: den _twaalfvingerigen_

(duodenum), den _nuchteren_ (jejunum) en den _kronkeldarm_ (ileum). In

het geheel vormt de dunne darm een buis van 5 à 6 Meter lengte, met

lissen en bochten, waarvan eenige zelfs tot in de kleine bekkenholte

afhangen. _Plaat V No. 43 en 44_.

In den dunnen darm ondergaat het voedsel nieuwe veranderingen, doordien

het daar in aanraking komt met twee vochten, de gal en het sap van

de alvleeschklier. Beide vochten zorgen voor een verdere omzetting,

waardoor opneming in het bloed mogelijk wordt.

De gal is een afscheidingsproduct uit de lever, de grootste klier

van het menschelijk lichaam. De lever (hepar), _Plaat V No. 48_, is

tamelijk week, bezit een bruinroode kleur en is gelegen in de rechter

bovenste buikstreek, tegen het middelrif aan. Haar onderste rand moet

slechts even onder de ribben uit gevoeld kunnen worden. Bij vrouwen,

die zich sterk rijgen, wordt de lever naar onderen geperst en is

daardoor veel gemakkelijker waar te nemen.

De lever scheidt onophoudelijk gal af, die in de galblaas (cystis

fellea), _Plaat V No. 49_, wordt verzameld en zich gedurende de

spijsvertering in den dunnen darm ontlast.

De galblaasbuis (ductus choledochus) voert de gal naar den

twaalfvingerigen darm.

De alvleeschklier (pancreas), _Plaat V No. 42_, is een klier, die een

lengte heeft van ongeveer 20 cM en een breedte van 3 à 4 cM. Ook haar

uitvoergang mondt in het duodenum uit, vlak bij dien van de gal. Het

sap der alvleeschklier heeft een groote beteekenis, omdat het op alle

bestanddeelen van het voedsel een krachtigen invloed uitoefent.

In den dunnen darm wordt eveneens het voedsel gekneed, maar tevens

voortbewogen. Deze voortbeweging komt tot stand, doordien de darmwand

zich achter de voedselmassa vernauwt en verkort. Dit herhaalt zich

telkens met het opvolgend stuk darm en zoo gaat het voort, alsof

men van de maag uitgaande, met de vingers den darm drukkende, de

voedselmassa voortbeweegt. Zulk een beweging noemt men een wormvormige

of peristaltische.

Van den _dunnen_ darm gaat de massa nu over in den _dikken_. Op de

plaats van overgang wordt een zak gevormd, de blinde darm (intestinum

coecum), _Plaat V No. 45_. De dikke darm is veel wijder dan de eerste

en is ook meer rekbaar. Eerst verloopt hij naar boven tot aan de lever,

gaat dan van rechts naar links, om zich vervolgens naar beneden te

buigen en in den endeldarm (rectum) over te gaan. Vóór den overgang

in den endeldarm noemt men den dikken darm ook wel colon.

De opneming van het voedsel in het bloed begint reeds in den maagwand

en zet zich verder over het geheele darmkanaal voort. De wijze,

waarop dit geschiedt, hier uiteen te zetten, zou tot te groote

uitvoerigheid leiden. Slechts zij opgemerkt, dat behalve het vet, al

het omgezette voedsel wordt afgevoerd door bloedvaten, welke in maag-

en darmwand gelegen zijn. Zoo komt het dan in het bloed der holle ader,

in rechter voorkamer, rechter kamer, longcapillaria, linker voorkamer,

linker kamer, aorta en stroomt door de slagaderen naar alle deelen van

het lichaam. In de fijne haarvaten wordt eindelijk het voedsel aan de

weefsels afgegeven. Het vet wordt door een eigen vaatsysteem uit den

darmwand afgevoerd, maar dit systeem mondt ten slotte toch ook in het

aderlijke bloed uit, zoodat ook het vet den weg van rechter voorkamer,

rechter kamer, enz. volgt.

De milt (lien), _Plaat V No. 41_, behoort eigenlijk niet tot de

digestie-organen; zij wordt hier alleen besproken, omdat zij in de

buikholte vlak achter of naast de grondvlakte van de maag gelegen is

en nog niet is uitgemaakt, welke functie zij eigenlijk te vervullen

heeft. Het is een bruinrood orgaan, ter grootte van een vuist, dat

buitengewoon vaatrijk is.

Het buikvlies (peritoneum) is een volkomen gesloten zak (bij de vrouw

wordt het alleen door de buikopeningen van de Fallopiaansche buizen,

waarover later, doorboord), waarmede de inwendige oppervlakte van

de buik- en bekkenwanden is bekleed (peritoneum parietale) en dat de

buik- en bekkeningewanden zoodanig omgeeft, dat deze daardoor geheel

overdekt zijn (peritoneum viscerale).

De Ademhalingsorganen.

Door middel van de ademhalingsorganen wordt zuurstof in het bloed

gebracht en worden onbruikbare gasvormige omzettingsproducten,

voornamelijk koolzuur, uit het lichaam verwijderd. Tot de

ademhalingsorganen behooren de groote luchtwegen en de longen. Langs de

luchtwegen, waartoe alleen de neus, het strottenhoofd en de luchtpijp

gerekend worden, bereikt de lucht de longen.

De _neus_ (nasus), tegelijkertijd ons reukorgaan, is in normale

omstandigheden de eenige toegangsweg tot de longen, daar de doortocht

door den mond eigenlijk alleen als noodhulp behoort gebruikt te

worden. Doordien deze toegangsweg zoo nauw is en bovendien nog vele

bochten vertoont, kan de buitenlucht er slechts langzaam doorgaan en

komt zoodoende behoorlijk verwarmd in de longen aan.

Het _strottenhoofd_ (larynx), _Plaat V No. 24_, is een uit

kraakbeenderen samengesteld orgaan, dat bij den ingang een klepje,

strotteklepje (epiglottis) bezit, waardoor die ingang kan afgesloten

worden. Het strottenhoofd staat van boven met den mond en den neus

in verbinding; van onderen gaat het in de luchtpijp over. Bij het

slikken sluit het zeer beweeglijk en veerkrachtig strotteklepje den

toegang naar het strottenhoofd af en verhindert daardoor, dat het

doorgeslikte in de luchtwegen komt.

Het strottenhoofd dient tot orgaan voor stemvorming. Daarvoor zijn

binnen in de holte slijmvliesplooien gespannen, die als stembanden

dienst doen. Door aldaar aanwezige, talrijke kleine spieren zijn wij

in staat de stembanden meer of minder sterk te spannen en daardoor

de verschillende tonen in ons geluid te brengen.

Het strottenhoofd is bij vrouwen aanmerkelijk kleiner dan bij

mannen. Tot op ongeveer 15-j. leeftijd is er geen noemenswaardig

verschil; daarna ontwikkelt het zich bij jongens veel sterker dan

bij meisjes. De stembanden zijn dan ook bij de eersten langer en de

stemspleet, de spleet tusschen beide stembanden gelegen, waardoor de

in- en uitademingslucht passeeren moet, iets breeder. Het verschil

in stem bij mannen en vrouwen is daaraan toe te schrijven.

De _luchtpijp_ (trachea), _Plaat V No. 25_, is een 10-22 cM. lange

buis, uit een aantal (16-20) kraakbeenringen samengesteld, welke

door veerkrachtige, vezelachtige banden onderling zijn vereenigd. Op

de hoogte van den 4en borstwervel splitst de luchtpijp zich in twee

takken, de luchtpijpstakken (bronchi), _Plaat V No. 26_, die naar de

rechter en linker long loopen.

De rechter tak, die iets korter en wijder is dan de linker, splitst

zich in drieën, voor elke rechter longkwab een; de linker tak verdeelt

zich slechts in tweeën, omdat de linker long slechts twee kwabben

bezit. In de long wordt elke tak in ontelbaar kleine en steeds fijner

wordende takjes verdeeld, die ten slotte alle uitmonden in een fijn,

zakvormig blaasje, de longblaasjes. Vele van deze met lucht gevulde

longblaasjes vormen te zamen een longlapje en uit een aantal van

zulke lapjes zijn de longen opgebouwd.

De longen (pulmones), _Plaat V No. 27_, zijn twee weeke, sponsachtige

organen, die in de beide helften der borstkas een plaats vinden

en de holte hiervan geheel vullen. De longslagader, die met de

luchtpijpstakken aan de binnenvlakte der longen naar binnen treedt,

vertakt zich aldaar evenals de luchtpijpstakken in vele kleine

slagaderen, om eindelijk het weefsel van de longblaasjes met een

net van capillairen te omgeven. Hierdoor is het bloed in staat, de

zuurstof van de ingeademde lucht in zich op te nemen en daarvoor de

in het lichaam ontstane, onbruikbare gassen, die het meevoerde, af

te geven, welke dan met de lucht worden uitgeademd. Bij verruiming

van de borstkas zetten de longen zich uit; de longblaasjes vullen

zich dan met versche lucht, wat men _inademen_ noemt. Men spreekt

van _uitademen_, wanneer de gebruikte lucht de longen verlaat. In-

en uitademing gezamenlijk heet _ademhaling_. Door samentrekking van

de spieren van de borstkas komt de ademhaling tot stand; dan toch

wordt de borstkas verruimd.

Een spier, die bij de ademhaling een voorname rol speelt, worde hier

afzonderlijk vermeld. Deze spier, het middelrif (diaphragma), _Plaat

V No. 50_, sluit de borstholte geheel van de buikholte af. Rondom aan

de ribben bevestigd, bevindt zij zich in toestand van rust bolvormig

gespannen in de borstholte. Bij samentrekking wordt de welving van de

spier vlak en wordt de borstkas daardoor aanmerkelijk verruimd. De

spiermassa bezit in het midden twee openingen, waardoor de slokdarm

en de lichaamsslagader van de borst- in de buikholte en de onderste

holle ader van de buik- in de borstholte kunnen overgaan.

In geheel rustigen, normalen toestand hebben er bij volwassen menschen

16 à 20 ademhalingen in de minuut plaats. Bij kinderen is dit aantal

grooter, terwijl ook vrouwen iets sneller ademen dan mannen. Allerlei

invloeden kunnen de ademhaling versnellen, zonder dat wij nog met

ziekelijke afwijkingen te doen hebben, bijv. bij inspanning der

spieren, bij gemoedsaandoeningen, enz.

De hoeveelheid lucht, die bij diepste inademing op eenmaal kan

ingeademd worden, de vitale capaciteit der longen, is bij mannen

grooter dan bij vrouwen. Dat in normalen toestand ook de _wijze_ van

ademhaling bij mannen en vrouwen zou verschillen, heeft men vroeger

wel aangenomen, doch later is gebleken, dat dit een dwaling was. Men

dacht, dat mannen ademden hoofdzakelijk door samentrekking van het

middelrif (buikademhaling); vrouwen daarentegen door samentrekking

van de borstspieren (ribben-ademhaling). Het is echter gebleken, dat

deze ribbenademhaling, wanneer zij voorkomt bij vrouwen, meestal een

gevolg is van te nauw sluitende kleeding, te sterk geregen corsetten,

waardoor de uitzetting der borstkas van onderen wordt belemmerd.

In de borstholte liggen nog twee klieren, de schildklier (glandula

thyreoidea) en de thymusklier (glandula thymus).

De schildklier ligt vóór het begin der luchtpijp. Zij is bij vrouwen

iets grooter dan bij mannen.

De thymusklier ligt achter het bovenste deel van het borstbeen. Deze

klier neemt tot het 2e levensjaar in omvang toe, gaat daarna

langzamerhand verminderen en is tegen den tijd der geslachtsrijpheid

geheel verdwenen.

De Pisorganen.

Een groot deel der stoffen, die door het stofwisselingsproces in de

weefsels worden gevormd en die voor de voeding der organen geen waarde

meer hebben, wordt door middel van de pisorganen uit het lichaam

verwijderd. Het zijn voornamelijk de stikstofhoudende stoffen, die,

in opgelosten toestand, langs dezen weg het lichaam verlaten. Gelijk

op bladz. 14 gezegd is, worden zij door het bloed, wanneer dit door

de haarvaten der weefsels stroomt, opgenomen, om daarna te worden

afgescheiden, wanneer het de nieren passeert.

Dit afscheidingsproduct der nieren is de pis (urine).

De _nieren_ (renes) zijn boonvormige klieren, van bruinroode kleur. Zij

liggen in de lendenstreek, aan beide zijden van de wervelkolom,

de linker iets hooger dan de rechter. _Plaat V No. 51_.

Door vetrijk bindweefsel, dat de nieren omgeeft, door het buikvlies,

dat haar voorvlakte bekleedt en door de groote bloedvaten, die haar het

bloed toevoeren, zijn zij aan haar plaats gebonden. De plaats, waar

de groote bloedvaten de nieren ingaan en deze weder verlaten en waar

ook de pisleider uittreedt, noemt men de poort van de nier. Somwijlen

is een der nieren, meestal de rechter, min of meer bewegelijk. Door

zwangerschappen of ziekten kan het gebeuren, dat het bindweefsel om

de nier zijn vetrijkdom verliest en de nier daardoor minder stevig

bevestigd ligt. Zij verplaatst zich dan af en toe in de buikholte en

verkrijgt daardoor den naam van wandelnier.

De uitwendige oppervlakte van de nier wordt door een taai, vezelachtig

vlies omgeven (capsula fibrosa), dat aan de poort door de in- en

uittredende vaten doorboord wordt. _Fig. 7 a_.

Snijdt men de nier in de lengte door, zooals op _Plaat V No. 52_ de

linker nier is afgebeeld, dan blijkt, dat haar zelfstandigheid bestaat

uit een bruinrood buitenste en een geelwit binnenste gedeelte. Deze

bruinroode kleur is hieraan toe te schrijven, dat de nierslagader,

aan de poort de nier binnentredende, _Plaat V No. 51_, en zich

steeds fijner vertakkende, doordringt tot het buitenste gedeelte, het

zoogen. bastgedeelte, en daar een fijn net van haarvaten vormt. In dit

vaatnet wordt de urine afgescheiden. Zij wordt in zeer kleine holten

opgevangen en door de pisbuisjes, die in die holten een begin nemen,

naar het zoogenaamde nierbekken, in het middenste of merggedeelte

van de nier gelegen, gevoerd. De pisbuisjes, aanvankelijk zeer fijn

en talrijk, vereenigen zich op hun weg naar het nierbekken en vormen

zoodoende steeds wijder wordende buisjes, die eindelijk overgaan in

de nierkelken (calices renales), wier uitgangen onmiddellijk in het

nierbekken uitmonden. _Fig. 7 e_.

Het nierbekken, dat zich in de richting naar de poort trechtervormig

vernauwt, gaat aldaar in den pisleider (ureter), _Fig. 7 f_,

over. Onophoudelijk wordt de pis in de nieren afgescheiden, door de

pisbuisjes naar de nierkelken gevoerd, door deze in het nierbekken

uitgestort en vandaar door den pisleider naar de blaas gebracht. De

pisleiders loopen over de groote lendenspier, _Plaat V No. 53_, naar

beneden tot in het kleine bekken en monden daar aan weerszijden onder

aan de blaas in deze uit.

In de _pisblaas_ (vesica urinaria), _Plaat V No. 54_, wordt de urine

opgevangen en kan daar geruimen tijd bewaard worden. De blaas is een

zak, met vrij dikken spierwand, die in ledigen toestand achter de

schaambeensvereeniging ligt, doch zoodra zij gevuld is, daarboven

uitsteekt.

De spierlaag is van binnen met slijmvlies bekleed, dat talrijke

plooien vormt, wanneer de blaas ledig is. Aan haar bodem bevindt

zich een sluitspier, die kringvormig den overgang van blaas in

pisbuis omgeeft. Gelijktijdig met de samentrekking van de spierlaag

van de blaas opent deze sluitspier zich en verleent aldus de urine

een doortocht.

De _pisbuis_ (urethra), die de urine uit de blaas buiten het lichaam

brengt, is bij de vrouw slechts ongeveer 2 cM lang en mondt boven

den ingang der scheede in de schaamspleet uit. Zij is wijder dan de

mannelijke pisbuis en kan bovendien nog uitgerekt worden.

De Vrouw: Haar bouw en haar inwendige organen · 第 7 / 14 题