De Geslachtsorganen.
De geslachtsorganen (organa genitalia) stellen ons in staat aan
nieuwe wezens het leven te schenken. Dit vermogen, om ons zelf te
vermenigvuldigen, hebben wij met de planten en dieren gemeen. Wat ons
evenwel van plant en dier onderscheidt is, dat de met rede begaafde
mensch niet behoeft voort te planten, lijdelijk zooals de plant,
of onderworpen aan een onbetoombare aandrift zooals het dier, maar
dat hij dit kan doen onder de heerschappij der rede.
Bij vele planten en bij eenige lagere diersoorten worden de organen,
noodig voor het voortplantingsproces, in een en hetzelfde organisme
aangetroffen; bij den mensch daarentegen, evenals bij alle hooger
ontwikkelde diersoorten en bij sommige planten, zijn de organen,
voor dat doel bestemd, over twee individuen verdeeld. Van de beide
daardoor ontstane geslachten neemt bij den mensch de vrouw een ander
en grooter aandeel aan het voortplantingsproces dan de man.
In haar lichaam wordt de kiem voor het nieuwe leven gevormd en wanneer
die kiem door aanraking met het zaad van den man aanleiding tot verdere
ontwikkeling heeft ontvangen, dan herbergt zij het jonge vruchtje in
haar lichaam, tot het zijn vollen wasdom heeft bereikt. Daarna brengt
zij het ter wereld, doch voedt het nog geruimen tijd met de melk,
het afscheidingsproduct harer borstklieren.
Deze vele verrichtingen, bij het voortplantingsproces aan de
geslachtsdeelen der vrouw tot taak gesteld, zijn over verschillende
organen verdeeld. De organen, die daarbij een hoofdrol vervullen, zijn
in de lichaamsholte gelegen; de schaamdeelen (vulva) en de borstklieren
(mammae), die in dit proces een bijrol vervullen, liggen uitwendig.
Laten wij beginnen met een korte uiteenzetting van den bouw en de
verrichting der borstklieren. Deze, ook wel zogklieren genaamd,
zijn aanvankelijk bij jongens en meisjes gelijk, doch op ongeveer
12-j. leeftijd, wanneer ook de andere geslachtsorganen zich beginnen
te ontwikkelen, openbaart zich het geslachtsverschil tevens in
deze klieren. Bij den jongen blijft de borstklier op de eerste
ontwikkelingshoogte staan of verschrompelt langzamerhand geheel. Bij
het meisje daarentegen gaat de klier zich dan ontwikkelen. De
borstklieren van het geslachtsrijpe meisje, de maagd, zijn van
halfkogelvormige gedaante en liggen aan weerszijden van de borstkas op
de groote borstspier (musculus pectoralis major), _Plaat II No. 28_,
tusschen de 3e en 6e rib. Zij zijn door een sleuf, den boezem (sinus),
van elkaar gescheiden. Midden op de borstklier, op haar hoogste punt,
zit de borsttepel (papilla mammae), die door den tepelkring (areola
mammae) omgeven is. De groote gevoeligheid, den borsttepel eigen,
is een gevolg van diens rijkdom aan gevoelszenuwen. Borsttepel en
tepelkring zijn meer of minder sterk bruin gekleurd.
De borstklier, _Plaat I No. 63_, bestaat uit 15-24 afzonderlijke
kliertakken, die door veel bindweefsel zijn omgeven en daarmede
onderling verbonden. In dit bindweefsel bevindt zich vet. De toeneming
in grootte van de klier is een gevolg zoowel van de ontwikkeling der
kliertakken als van meer vetafzetting in het daartusschen liggend
bindweefsel. De kliertakken bestaan uit een verzameling van als
druiven getroste, kleine, vliezige blaasjes, die elk een apart
uitloozingsbuisje hebben. Al die uitloozingsbuisjes vloeien samen
tot een enkel kanaaltje, één voor iederen tak. Deze takken zijn
de zoggangen; zij loopen elk op zich zelf naar den borsttepel en
doorboren dien met een fijne opening.
In maagdelijken toestand blijven de borstklieren in dit
ontwikkelingsstadium. Zoodra echter de eerste zwangerschap is
ingetreden, komen zij tot geheele ontwikkeling. Vóór dien tijd is
de klier ook niet in staat haar functie te verrichten: de melk,
haar afscheidingsproduct, is eerst tegen het einde der zwangerschap
aanwezig.
De melk wordt in de vliezige blaasjes voortgebracht en door de fijne
uitloozingsbuisjes naar de zoggangen gevoerd. Door zuiging of persing
vindt de melk uit de zoggangen een uitweg door de borsttepelopeningen.
De melk bestaat hoofdzakelijk uit water, vet, kaasstof,
melksuiker en zouten. De eerste dagen na de geboorte van het kind
is de melk bijzonder vetrijk en wordt dan colostrum genoemd. De
hoeveelheid en hoedanigheid der afgescheiden melk verandert onder
verschillende omstandigheden. In sommige ziektetoestanden vermindert
de melkafscheiding of houdt zij geheel op. Langdurige, aanhoudende
druk op de borstklier oefent eveneens een ongunstigen invloed uit op
de afscheiding. Men is ook verplicht, wil men de melkproductie niet
doen ophouden, de borsten regelmatig van de melk te ontlasten, door
ze uit te laten zuigen of uit te persen. Sterke gemoedsaandoeningen
veroorzaken almede verandering in de hoeveelheid; soms houdt zelfs
na een hevigen schrik de zogafscheiding tijdelijk geheel op. Dat ook
de hoedanigheid der melk na gemoedsaandoeningen verandert, is nimmer
aangetoond kunnen worden; wel is het een vrij algemeen heerschende
volksmeening en de mogelijkheid er van is niet uitgesloten. De voeding
der vrouw oefent grooten invloed uit op de _hoedanigheid_ der melk.
Alvorens van de behandeling der borstklieren af te stappen, worde nog
herinnerd, dat ondoelmatige kleeding, tijdens het ontwikkelingstijdperk
een te sterken druk op de klier uitoefenende, stoornis in haar groei
kan brengen.
Schenken wij thans onze aandacht aan de uitwendige schaamdeelen,
waartoe onder meer behoort de schaamheuvel (mons veneris), een
vetrijke verhevenheid, die in geslachtsrijpen leeftijd dicht met
haren is begroeid. Hij maakt het bovenste deel uit van de uitwendige
schaamdeelen en gaat van onderen over in de groote schaamlippen
(labia majora). _Fig. 8 a_. Deze zijn groote, vetrijke huidplooien,
die van den schaamheuvel boogsgewijs naar achteren loopen tot aan den
bilnaad, waar zij onder een scherpen hoek samenkomen en door een dun
vlies of bandje (frenulum labiorum) onderling verbonden zijn. Bij een
eerste baring wordt dit bandje meestal vernietigd en wijken dan de
groote schaamlippen steeds eenigszins van elkander af. Ook de groote
schaamlippen zijn meestal met haren begroeid.
Tusschen de groote schaamlippen liggen de kleine schaamlippen (labia
minora of nymphae). _Fig. 8 b_. Dit zijn dunne, zachte huidplooien,
meestal kleiner dan de groote lippen en door deze bedekt. In sommige
gevallen zijn zij grooter dan de groote lippen en steken dan buiten
deze uit. Zij loopen naar achteren tot aan den ingang der scheede
en staan naar voren, iedere lip in twee plooien gesplitst, met den
kittelaar (clitoris), _Fig. 8 e_, in verbinding. De voorste plooi vormt
de voorhuid van den kittelaar (praeputium clitoridis), _Fig. 8 d_, de
achterste plooi het bandje daarvan (frenulum clitoridis), _Fig. 8 f_.
De kittelaar ligt alzoo tusschen de beide plooien der kleine lippen,
die zich vóór en achter dit orgaan vereenigen. Het is een klein, stomp,
vaatrijk en zenuwrijk uitsteeksel, zonder opening. Het wellustgevoel
zetelt voornamelijk in dit orgaan.
De ruimte tusschen de kleine lippen en achter den kittelaar noemt men
het voorhof van de scheede (vestibulum vaginae). _Fig. 8 c_. Ongeveer
in het midden van deze ruimte mondt de pisbuis uit met een ronde
of spleetvormige opening. _Fig. 8 g_. Deze is van dikke randen
voorzien. Vlak daarachter ligt een andere opening, _de ingang der
scheede_ (ostium vaginae), _Fig. 8 i_, die bij maagden gedeeltelijk
gesloten is door een slijmvliesplooi (hymen). Bij geslachtsgemeenschap
of anders bij de eerste baring wordt het hymen vernietigd. Doch ook
op andere wijze kan het verloren gaan, zoodat het gemis volstrekt niet
aan eerstgenoemde oorzaak behoeft te worden toegeschreven, evenmin als
de aanwezigheid een volstrekt bewijs is, dat geen geslachtsgemeenschap
plaats greep.
Aan beide zijden van den ingang der scheede liggen de fijne
uitloozingsbuisjes der Bartholinische klieren. _Fig. 8 h_. Deze
_slijm-afscheidende_ klieren liggen achter den ingang der scheede;
zij gelijken in gedaante en grootte op een boon.
Boven den ingang der scheede beginnen de _inwendige_
geslachtsorganen. De _scheede_ (vagina), _Fig. 8 l_, is een lang,
eenigszins gebogen en zeer rekbaar kanaal. Dit kanaal loopt van den
ingang af eerst een klein eindje naar achteren, buigt zich daarna
naar boven en tegelijkertijd iets naar voren, ongeveer de bekkenas
volgende. In haar begin ligt zij tusschen den endeldarm en de pisbuis,
verder naar boven tusschen den endeldarm en het onderste gedeelte
van de pisblaas.
Het bovenste gedeelte van de scheede heet het gewelf (fornix vaginae).
Haar met slijmvlies bedekte wanden zijn van onderen dikker dan van
boven; bij den ingang vormen zij, vooral aan de vóór- en achterzijde,
vele dikke, overdwarse plooien, die naar boven in aantal afnemen en in
het gewelf geheel verdwijnen. Hebben eenige kindertjes den weg door
de scheede afgelegd, dan zijn die plooien grootendeels verdwenen en
is zij daardoor wijder geworden.
In het gewelf der scheede ligt het onderste gedeelte van de
_baarmoeder_ (uterus). Dit orgaan, _Plaat V No. 58_, is een holle
spier, van peervormige gedaante, aan de voor- en achterzijde een
weinig afgeplat. De baarmoeder ligt in het kleine bekken tusschen
den endeldarm en de pisblaas. Met haar breeden, dikken bodem
(fundus uteri), _Fig. 8 o_, is zij naar boven, met haar afgeplatten
cylindervormigen hals (cervix uteri) naar beneden gekeerd. Het
onderste gedeelte van den hals, in het gewelf der scheede gelegen,
heet haar scheedegedeelte (portio vaginalis uteri), _Fig. 8 m_. Het
gedeelte, dat tusschen den bodem en den hals van de baarmoeder ligt,
noemt men het lichaam (corpus uteri), _Fig. 8 n_.
De _holte_ van de baarmoeder (cavum uteri) is klein in verhouding tot
de grootte van het orgaan. _Fig. 9 a_. Het vormt een fleschvormig
driehoekig kanaal, dat van boven het wijdst is. Op de plaats, waar
de hals en het lichaam in elkander overgaan, bestaat een geringe
insnoering, de _inwendige_ baarmoedermond (ostium uteri internum),
_Fig. 9 b_. De _uitwendige_ baarmoedermond (ostium uteri externum),
_Fig. 9 d_, bevindt zich op de plaats, waar het halskanaal in
de scheede eindigt; hij brengt de verbinding tusschen scheede en
baarmoederholte tot stand.
De uitwendige baarmoedermond is bij vrouwen, die nog niet gebaard
hebben, meestal spleetvormig, met een voorste langere en een achterste
kortere lip (labium anterius et posterius). Na bevallingen krijgt
deze opening vele inscheuringen en wordt onregelmatig van vorm.
De wand van de baarmoeder bestaat uit gladde spiervezels. Deze,
tot bundels vereenigd, loopen in alle richtingen rondom
dit orgaan. Tusschen de spierbundels in liggen een aantal
slagaderen en aderen, maar ook zenuwen en lymphvaten zijn daar
ruim vertegenwoordigd. Van _binnen_ is de wand geheel bekleed met
slijmvlies, dat in de holte van het lichaam volkomen glad is, doch
in het halskanaal vele plooien vormt. _Fig. 9 c_.
Bij den uitwendigen baarmoedermond eindigt dit slijmvlies en gaat
daar in het slijmvlies der scheede over.
Het slijmvlies van de baarmoeder scheidt een taai, helder slijm
af. Alleen wanneer deze afscheiding abnormaal groot is, wordt zij
door de vrouwen opgemerkt en als witte vloed (fluor albus) bestempeld.
De ligging van de baarmoeder is van zeer vele invloeden afhankelijk. In
gewone omstandigheden ondergaat zij reeds veranderingen, wanneer de
blaas of de endeldarm gevuld zijn. Toch neemt men in 't algemeen aan,
dat de ligging bij meisjes in de richting van boven achter naar beneden
voor is. Na baringen verandert de ligging belangrijk, zonder dat nog
van ziekelijke afwijking sprake behoeft te zijn.
Van _buiten_ is de baarmoeder grootendeels bedekt door het buikvlies,
dat met den uteruswand vergroeid is. Het buikvlies, van de achtervlakte
van de pisblaas komende, gaat na een kleine bocht naar beneden gemaakt
te hebben, op de vóórvlakte van de baarmoeder over, loopt dan over den
bodem van de baarmoeder, komt aan haar achtervlakte, vormt dáár een
dieper bocht en gaat eindelijk op den endeldarm over. De baarmoeder
ligt dus als 't ware ingestulpt in het buikvlies.
Aan de rechter- en linkerzijde van de baarmoeder komen de vóór-
en achterplooi van het buikvlies samen en vormen de _breede_
baarmoederbanden (ligamenta lata), _Fig. 8 u_. Deze banden zijn dus
uit een voorste en achterste laag of plaat samengesteld.
De _ronde_ baarmoederbanden (ligamenta rotunda), _Fig. 8 v_, ontstaan
uit den spierwand van de baarmoeder. Zij loopen van de beide zijden
van den bodem der baarmoeder als dikke koorden naar beneden, gaandeweg
in dikte afnemende. Zij doorloopen het lieskanaal en eindigen in het
weefsel van den schaamheuvel en de groote schaamlippen.
Even boven het begin van de ronde baarmoederbanden staat de holte
van de baarmoeder aan beide zijden in verbinding met een buis, de
_eileiders_ (tubae Fallopiae), _Fig. 8 p_. De eileiders zijn door
den bovensten rand der breede baarmoederbanden ingesloten. Zij zijn
het nauwst dicht bij de baarmoeder, worden verder gaande wijder en
eindigen met een trechtervormige opening vrij in de buikholte. Deze
trechtervormige opening (ostium tubae abdominale) is aan haar vrijen
rand van vele uitsteeksels voorzien, die haar als met donkerroode
franje omzoomen, _Fig. 8 q_. _Eén_ van deze uitsteeksels is langer dan
de overige en is met den eierstok verbonden. _Fig. 8 r_. Waarschijnlijk
gaat het ei van den eierstok langs dezen weg naar den eileider om
vervolgens door dezen den weg naar de baarmoeder af te leggen.
Evenals de baarmoeder bestaan ook de eileiders uit een met slijmvlies
bekleede spierlaag, welke door het buikvlies omgeven wordt. Het
slijmvlies van de eileiders is van binnen bekleed met zeer fijn
trilhaar; dit verkeert aanhoudend in golvende beweging en werkt
daardoor mede om het in den eileider opgenomen ei naar de baarmoeder
voort te bewegen.
De _eierstokken_ (ovarii), _Fig. 8 s_, zijn de organen, die de kiem
voor een nieuw leven voortbrengen. Zij liggen in de achterste plaat van
den breeden baarmoederband, ter hoogte van den ingang van het kleine
bekken, _Plaat V No. 59_. Zij zijn plat eivormig van gedaante. De punt
van het eivormig orgaan is naar de baarmoeder gekeerd en is daarmede
door een band (ligamentum ovarii proprium) _Fig. 8 t_ verbonden. Met
de stompe vlakte is de eierstok zijwaarts gericht en staat daar met
den eileider in verbinding.
Slechts een klein gedeelte van den eierstok wordt door het buikvlies
bekleed; de geheele voorvlakte blijft onbekleed. Aan de voorvlakte
merkt men een dwarse sleuf op, waar de bloedvaten, bestemd voor dit
orgaan, uit- en intreden. Deze plaats noemt men de poort (hilus
ovarii), _Fig. 10 aa_. Een vezelachtig vlies (tunica albuginea),
_Fig. 10 e_, dat door de in- en uittredende bloedvaten doorboord wordt,
omgeeft den eierstok geheel.
Het weefsel van den eierstok bestaat uit een middelste, merggedeelte,
_Fig. 10 b_, en een buitenste, bastgedeelte. In het merggedeelte
liggen de bloedvaten, daaromheen ligt het bastgedeelte, dat een aantal
vliezige blaasjes, de Graafsche follikels, _Fig. 10 c_, bevat. Deze
Graafsche follikels bestaan uit een dun vlies, waarin een vocht
(liquor folliculi) en vele kleine celletjes zich bevinden. Onder deze
celletjes is er één, soms twee, die in grootte al de andere overtreft;
dat is de eicel, de eigenlijke levenskiem.
Van tijd tot tijd wordt zulk een ei rijp; de Graafsche follikel,
waarin het besloten is, barst dan en zijn inhoud komt vrij. Het
vrijgekomen ei wordt door de franjeachtige uitsteeksels van den
eileider opgevangen en naar de baarmoeder overgebracht.
Indien het ei niet bevrucht wordt, gaat het, in de baarmoeder gekomen,
aldaar te niet of verlaat het lichaam met het menstruatie-bloed.
Door het barsten van de Graafsche follikels krijgt de oppervlakte
van den eierstok telkens een wondje en wanneer dit genezen is,
een litteeken. Hierdoor wordt de oorspronkelijk gladde oppervlakte,
zooals die bij kinderen vóór de geslachtsrijpheid voorkomt, na eenigen
tijd onregelmatig en ruw.
De eierstokken zijn bij meisjes kort vóór de rijpwording van het
eerste ei het grootst. Daarna nemen zij van lieverlede in grootte
en gewicht af, wegens het verlies van den inhoud der Graafsche
follikels. Zij veranderen daarbij tevens eenigszins van gedaante en
worden meer langwerpig. Bij oude vrouwen bezitten zij nog slechts
het 1/3 gedeelte van hun oorspronkelijke grootte.
Wanneer de overige organen van het lichaam reeds een eind weegs hun
ontwikkelingsgang hebben afgelegd, dan pas treden de geslachtsorganen
het eerste overgangsstadium in. Tot op den leeftijd van ongeveer
12 jaren zijn de geslachtsorganen van het meisje nog in bijna alle
opzichten gelijk aan die van het pasgeboren kind. Eerst daarna
beginnen zij geleidelijk zich te ontwikkelen om, na verloop van
enkele jaren in staat te zijn hun verrichtingen aan te vangen. Dan
is de geslachtsrijpheid ingetreden, het kind is maagd geworden.
De meerdere of mindere snelheid, waarmede die overgang plaats
grijpt, is van vele individueele, zoowel als van algemeene invloeden
afhankelijk. Voor ons land stelt men den gemiddelden leeftijd voor
geslachtsrijpheid op ongeveer 15 jaren. Goede voeding en gezonde
leefwijze bevorderen zeer een snellen overgang. Bij kinderen, die onder
ongunstige maatschappelijke toestanden leven, is de ontwikkelingsduur
langer. Het klimaat oefent in dezen ongeveer een zelfden invloed uit
als voeding en leefwijze. In warme landen is de gemiddelde leeftijd
voor de geslachtsrijpheid vroeger, in een koud klimaat later dan
15 jaren.
Eveneens schijnt de geestelijke sfeer, waarin het kind verkeert,
in dit opzicht niet zonder invloed te zijn. Dat stadskinderen in den
regel vroeger rijp zijn dan dorpskinderen, moet daaraan waarschijnlijk
worden toegeschreven.
Onderwijl de geslachtsorganen zich gereed maken hun taak te kunnen
verrichten, heeft er in het geheele lichaam een groote ommekeer plaats.
Al de vroeger beschreven vormverschillen van vele lichaamsdeelen van
man en vrouw komen thans snel te voorschijn; het opgeschoten meisje,
met haar onbestemde hoekige lijnen en onevenredige verhoudingen neemt
allengs den vrouwelijken lichaamsvorm aan.
Op den geestestoestand oefent deze verandering ongetwijfeld ook invloed
uit. Met de zenuwachtige prikkelbaarheid, die in dezen tijd dikwijls
voorkomt en soms gepaard gaat met buien van diepe neerslachtigheid,
in enkele gevallen zich uitende in groote opgewektheid, vangt de
verandering aan, die het kind ook geestelijk tot vrouw stempelt.
Aan de uitwendige geslachtsorganen bespeurt men den overgang, doordat
de borstklieren, zooals reeds vroeger werd besproken, in welving en
grootte toenemen, de schaamheuvel en de groote schaamlippen door
vetafzetting in hun weefsels voller en ronder worden en met haren
worden begroeid.
Van de inwendige geslachtsorganen zijn de veranderingen moeilijker
waarneembaar. Met de plaats grijpende vergrooting van de baarmoeder
gaat de vormverandering van dit orgaan gepaard. Het lichaam van de
baarmoeder groeit thans sterker dan de hals en hoewel beide eerst
ongeveer even lang waren, is op het tijdstip van geslachtsrijpheid
het lichaam het grootst.
In de zich ontwikkelende eierstokken beginnen de Graafsche follikels
grooter te worden en op het oogenblik, dat het eerste eitje rijp is
en wordt afgescheiden, kan men aannemen, dat de geslachtsrijpheid
is ingetreden.
Al de opgesomde veranderingen, benevens de groei van het lichaam,
gaan dan nog gedurende eenige jaren voort, ofschoon deze verdere
ontwikkeling slechts langzaam plaats grijpt en eerst op ongeveer
20-j. leeftijd voltooid is.
Het rijp worden van het eerste ei gaat in den regel gepaard met het
intreden van de eerste menstruatie.
Onder menstruatie verstaat men het periodiek terugkeerend en eenige
dagen aanhoudend bloedverlies uit de baarmoeder, dat zijn weg neemt
door de scheede. Bij de meeste vrouwen geschiedt dit om de 28 of 30
dagen en duurt 3-5 dagen. Kleine verschillen in den regelmatigen
wederkeer of den duur der bloeding zijn niet altijd ziekelijke
afwijkingen.
De hoeveelheid bloed, die gedurende die dagen wegvloeit, wisselt af
tusschen de 100 en 300 gram. Dit maandelijksch bloedverlies duurt
tot den 45- à 48-jarigen leeftijd; het wordt in gezonden toestand
alleen onderbroken in tijden van zwangerschap en bij vele vrouwen ook
gedurende den zoogtijd. Met het ophouden van de geregelde menstruatie
houdt waarschijnlijk ook de verrichting van de eierstokken op en
komen daarna geen eieren meer tot rijpheid.
Men heeft nog niet kunnen vaststellen, welk verband er bestaat tusschen
het rijp worden der eitjes (ovulatie) en de menstruatie. Vroeger nam
men hun onderling verband als vanzelf sprekend aan, hypothesen werden
gesteld om dit verband te verklaren en geen moeite gespaard om die
verklaring aannemelijk te maken. Tegenwoordig echter hecht men aan die
vroegere hypothesen geen waarde meer, sedert feiten werden waargenomen,
die er lijnrecht mede in strijd waren. Men weet nu, dat er eitjes
kunnen rijp worden, zonder dat er menstruatie intreedt, zooals moet
geschieden bij vrouwen, die gedurende het zoogen niet menstrueeren
en toch zwanger worden; eveneens weet men, dat er vrouwen zijn,
bij wie nog geregeld menstruatie intreedt, nadat de eierstokken door
operatie verwijderd zijn. Toch kan men, niet tegenstaande deze feiten,
gerust aannemen, dat er eenig verband bestaat tusschen menstruatie en
ovulatie, al moeten wij ons dan nog voorloopig met nieuwe hypothesen
tevreden stellen, waarvan het eveneens zeer wel mogelijk is, dat zij
later zullen blijken onjuist te zijn.
Men wil thans de menstruatie beschouwen als verband houdende met een
verhoogde levenskracht, die periodiek bij de vrouwen zou intreden en
waarschijnlijk een gevolg zou zijn van de verrichting der eierstokken.
Door verschillende onderzoekers is namelijk gevonden, dat in het
vrouwenleven, van het oogenblik af, dat de eierstokken hun functie
beginnen tot aan den tijd, dat zij daarmede eindigen, maandelijks een
stijging en daling van alle levensverrichtingen valt waar te nemen. Van
deze rhytmische golf wordt het hoogste punt bereikt eenige dagen vóór
de menstruatie, daarna treedt een zeer snelle daling in, waardoor het
laagste punt ongeveer met het einde der menstruatie samenvalt. Na
de menstruatie volgt dan opnieuw een regelmatige stijging, totdat
na verloop van 2 of 6 dagen de normale hoogte weder bereikt is. In
hoever nu dit stijgende en dalende levensproces oorzaak of gevolg
der ovulatie en menstruatie is, daarover loopen de meeningen uiteen.
De daling der levensfunctiën gedurende de menstruatie wordt aangenomen,
omdat in die dagen de temperatuur van het lichaam lager is dan
gewoonlijk, de hartswerking trager, de spierkracht geringer en omdat
hoogstwaarschijnlijk ook de stofwisseling minder is. De stijging wordt
natuurlijk aangenomen op grond van tegenovergestelde werking. Dat ook
het geestelijk leven in die dagen veranderingen ondergaat, daarvan
getuigt de afwisselende graad van nerveuse prikkelbaarheid, waaraan
de meeste vrouwen dan onderworpen zijn.
De menstruatie gaat gepaard met allerlei onaangename gewaarwordingen,
waarvan de voornaamste en meest voorkomende zijn: zwaartegevoel in de
beenen, spoedig vermoeid zijn, buikpijn, minder eetlust, hoofdpijn,
slaperigheid.
Hoewel het periodiek intreden der bloeding het meest opvallend
verschijnsel der menstruatie is, zijn er toch nog andere
verschijnselen, die er bijna even constant bij voorkomen. De
baarmoeder is in dien tijd gezwollen en hangt lager in de scheede. De
slijmafscheiding uit het baarmoederslijmvlies is dan sterker, waardoor
het menstruatie-bloed rijkelijk met slijm vermengd wordt. Deze
vermeerderde slijmafscheiding, die meestal een paar dagen vóór de
menstruatie begint, duurt dikwijls nog eenige dagen na het eindigen
daarvan voort.
De borstklieren zijn in die dagen in den regel gezwollen, een zwelling,
die bij sommige vrouwen met pijnlijkheid gepaard gaat.
De tijdelijk verminderde kracht der levens-processen maakt de
vrouw in de menstruatie-dagen vatbaarder voor nadeelige invloeden,
het weerstandsvermogen van haar lichaam is dan geringer, zoodat een
schadelijke inwerking gemakkelijker haar doel kan bereiken. Het is
voornamelijk om die reden, dat de vrouwen gedurende de menstruatie,
meer nog dan anders, zorg moeten dragen voor een hygiënische
leefwijze. Doch ook alles wat de bloeding uit den uterus kan
bevorderen, moet in die dagen zooveel mogelijk vermeden worden. Daarom
alsdan geen balzaal betreden, geen buitengewone voettochten ondernemen,
het langdurig staan vermijden, in 't kort, alle buitengewone inspanning
achterwege laten.
Zooals reeds is opgemerkt, eindigt de menstruatie gewoonlijk op 45-
à 48-j. leeftijd. Zij houdt dan niet plotseling op, maar keert telkens
met grooter tusschenpoozen en soms met meer hevigheid terug, totdat
zij na 1 of 2 jaar voorgoed wegblijft. Men noemt deze overgangsperiode
bij de vrouw den climacterischen leeftijd.
In het climacterium is ook het ophouden van het bloedverlies wel het
best waarneembare, doch weder niet het eenige verschijnsel. Dikwijls
gaat het gepaard met een verdwijning van vet uit de inwendige
geslachtsdeelen en een vermeerderde vetafzetting in de overige organen
van het lichaam. De schaamheuvel en de groote schaamlippen worden
daardoor slap en rimpelig en de borsten, die door de tegelijkertijd
ingetreden schrompeling der klieren toch reeds hun welving verloren
hadden, hangen dan soms als slappe huidplooien neder.
De eierstokken staken dan hun werkzaamheid, er worden geen eitjes
meer rijp; de ledige ruimten der Graafsche follikels trekken samen,
het geheele orgaan schrompelt ineen.
De eileiders vernauwen en verslappen, de uterus wordt belangrijk
kleiner, het scheedegedeelte van den uterus verdwijnt zelfs geheel. De
scheede wordt nauwer en droger en verliest haar rekbaarheid.
Als gevolg van deze veranderingen lijden de vrouwen in de
climacterische jaren dikwijls aan plotseling opkomende congesties,
sterk zweeten en allerlei nerveuse aandoeningen. Na eenigen tijd
verdwijnen deze verschijnselen.
Zoodra een rijp ei bevrucht is geworden, treedt er voor de
geslachtsorganen der vrouw een nieuw ontwikkelingstijdperk in.
Om bevrucht te worden is het noodig, dat het ei met een der zaadcellen
(spermatozoën) uit het sperma (het voorttelingsproduct der mannen)
in aanraking komt. Bij deze aanraking, de bevruchting, dringt de
spermatozoön het ei binnen. In den regel geschiedt dit in den eileider;
de mogelijkheid is echter niet buitengesloten, dat de bevruchting soms
plaats vindt, wanneer het ei den eierstok nog niet verlaten heeft,
of wanneer het ei reeds in het bovenste gedeelte van de baarmoeder
aangekomen is.
Uit het sperma, dat in de scheede wordt uitgestort, gaan dus
spermatozoën door de baarmoeder in de eileiders, om daar het ei te
ontmoeten. Dit geschiedt gemakkelijk, omdat de spermatozoën zich
kunnen voortbewegen.
Hoogstwaarschijnlijk is de vrouw gedurende den geslachtsrijpen
leeftijd te allen tijde geschikt om bevrucht te worden. In hoever
deze geschiktheid te allen tijde door haar als een voorrecht moet
worden beschouwd, behoeft hier niet te worden onderzocht.
Is het bevruchte ei in de baarmoeder gekomen, dan zet het zich daar aan
den wand vast en in het lichaam der vrouw vangt een opeenvolging van
nieuwe veranderingen aan. De vrouw verkeert dan in zwangeren toestand.
De menstruatie blijft weg en keert gedurende de geheele zwangerschap
niet terug.
Het slijmvlies van de baarmoeder begint sterk te groeien en omhult
het ei geheel; het vormt het buitenste der drie vliezige zakken,
waarin de vrucht tot aan de geboorte besloten blijft. _Fig. 11_.
De baarmoeder neemt enorm in omvang en dikte toe, zoowel door
de ontwikkeling van nieuwe spiervezels, als door verlenging der
bestaande. De spiervezels worden ongeveer elf maal langer en de
spierbundels drie tot vijf maal dikker. Ook de bloedvaten worden langer
en wijder en nemen in aantal toe. Door deze sterke spierontwikkeling
wordt de baarmoeder wijd genoeg om het bevruchte ei te herbergen,
tot het zijn volle ontwikkeling heeft bereikt en krachtig genoeg om
later de voldragen vrucht uit te drijven. Door de groote uitzetting
der bloedvaten kan de bloedtoevoer genoegzaam vermeerderen om ook de
voeding van de baarmoeder in dit tijdperk voldoende te doen zijn.
Met de vergrooting der baarmoeder gaat een geheele vormverandering
gepaard. Had zij in maagdelijken toestand een peervormige gedaante en
geleek haar holte eenigszins op den vorm van een flesch, in zwangeren
toestand nadert de vorm van den uterus hoe langer hoe meer, zoowel wat
de holte als de uitwendige gedaante betreft, naar een ovaal, waaraan
het halsgedeelte van de baarmoeder, dat niet aan de vergrooting deel
neemt, is blijven hangen.
Hoe grooter de baarmoeder wordt, des te meer stijgt zij in het groote
bekken naar boven en verdringt daarbij al de buikingewanden zijwaarts
en naar achteren. Ook het middelrif wordt naar boven geperst en
daardoor het hart een weinig gedraaid. Door de naar boven persing
van het middelrif wordt de borstkas ondieper, maar de tegelijkertijd
plaats vindende uitzetting van de borstkas in de breedte weegt tegen
dit ruimteverlies genoegzaam op.
Wegens de zwaarte hangt het lichaam van den uterus voorover en daardoor
wordt de uterusmond naar achteren gericht. Ook de scheede vergroot,
een vergrooting, die voornamelijk haar lengte en wijdte ten goede
komt. De slijmvliesafscheiding is vermeerderd en roomkleurig geworden.
En ook de uitwendige schaamdeelen doen mede aan den algemeenen groei
der geslachtsorganen; de groote en kleine schaamlippen zwellen en
worden donkerder van kleur.
De buikbekleedselen moeten natuurlijk aan den druk van den groeienden
uterus toegeven en zich uitzetten; het onderhuidsch celweefsel krijgt
daarbij steeds fijne inscheuringen, die na afloop der zwangerschap
als witte streepjes op den buik zichtbaar blijven.
Dat door den druk van den zwangeren uterus op blaas en endeldarm en op
de in de kleine bekkenholte liggende bloedvaten en zenuwen allerlei
stoornissen kunnen plaats vinden, valt licht te begrijpen. De meest
voorkomende stoornissen zijn: herhaalde drang tot urineeren, moeilijke
ontlasting en verstopping, uitzetting der aderen en waterzuchtige
beenen, somtijds hevige pijn in een of beide beenen.
De veranderingen, die de borstklieren ondergaan, zijn reeds vroeger
besproken.
De zwangerschap (graviditeit) gaat niet alleen gepaard met plaatselijke
veranderingen, het heele organisme ondervindt mede haar inwerking.
De hoeveelheid bloed vermeerdert, het wordt meer waterhoudend,
daardoor wordt het gehalte aan vaste stoffen betrekkelijk minder. De
bloedsomloop is gestoord, er ontstaat dikwijls hartklopping,
duizeligheid of congestie naar het hoofd.
Er wordt meer urine afgescheiden, die lichter van kleur is en minder
specifiek gewicht bezit dan gewoonlijk.
Het meest is de spijsvertering in de war; er treedt misselijkheid en
braking op, zoowel des ochtends in nuchteren toestand als nadat er iets
gegeten is. De eetlust kan daarbij normaal blijven, doch er ontstaat
ook wel tegenzin in het tot zich nemen van voedsel. Voornamelijk in
de eerste zwangerschapsmaanden komen deze verschijnselen voor.
Ook vertoonen zich veelal op verschillende lichaamsdeelen, maar vooral
in het gezicht, donkere huidvlekken.
Het zenuwstelsel is almede onder den invloed. Soms openbaart
zich dit in hoofd- of kiespijn, ook wel in gezichts- of andere
zintuigsstoornissen, of wel in psychische veranderingen: in diepe
neerslachtigheid of in buitengewone opgewektheid.
Nog zij vermeld, dat de houding van een zwangere vrouw in de laatste
maanden der zwangerschap eenigszins achteroverhellend is, als gevolg
van het veranderd zwaartepunt van het lichaam.
Zoolang al de genoemde veranderingen een zekere grens niet
overschrijden en niet gepaard gaan met ernstige gevolgen, worden zij
niet als ziekelijke afwijkingen beschouwd. Na afloop der bevalling
verdwijnen zij meestal spoorloos.
Hoewel de duur der zwangerschap niet met zekerheid is op te geven,
omdat men het juiste oogenblik niet kent, waarop het ei is bevrucht
geworden, heeft men toch bij benadering het tijdstip gevonden, waarop
de zwangerschap eindigt en de geboorte van den nieuwen wereldburger
verwacht kan worden. Om dit te bepalen, telt men, van den dag,
waarop de laatste menstruatie is ingetreden, 280 dagen of 40 weken
verder. Dat in tallooze gevallen deze berekening met enkele dagen
faalt, behoeft zeker niet te worden gezegd.
Nadat het bevruchte ei door het slijmvlies van den uterus is omgeven,
ontwikkelt het zich langzaam tot een levend kind.
Behalve in den vliezigen zak, door het slijmvlies van de baarmoeder
gevormd (membrana decidua), ligt het ei nog in twee andere vliezige
omhulsels, het chorion en het amnion, die beide uit het ei zelve
gevormd worden. Het chorion deelt zich tegen het einde der 8e
zwangerschapsweek in twee deelen, waarvan het eene gedeelte de
moederkoek (placenta) vormt.
De _moederkoek_ is een sponsachtig weeke, platte schijf, die
grootendeels uit bloedvaten is opgebouwd. Zij zit aan den wand
der baarmoeder vast en is door een lange streng met de vrucht
verbonden. Deze streng, de _navelstreng_, is ongeveer een vinger dik
en een halven meter lang en bestaat nagenoeg alleen uit bloedvaten.
Door de bloedvaten van placenta en navelstreng stroomt het bloed uit
het moederlijk lichaam naar dat van de vrucht. Op zijn tocht door het
lichaampje van de vrucht laat het bloed voedende bestanddeelen achter,
die het uit het moederlijk lichaam had medegevoerd en neemt onbruikbare
stofwisselingsproducten uit het lichaam van de vrucht mede terug. Het
wordende kind is dus niet alleen in het moederlijk lichaam gehuisvest,
maar wordt tevens door het bloed der moeder gevoed. Moederkoek en
navelstreng vormen daartoe den verbindingsweg.
In de holte van den derden of binnensten vliezigen zak, het amnion,
ligt de vrucht, door het vruchtwater (liquor amnii) omspoeld. Het
_vruchtwater_, dat voor een deel zijn ontstaan dankt aan de urine
van de vrucht, beschermt deze tegen den druk of den stoot, waardoor
de buik der moeder kan worden getroffen. Tegelijkertijd maakt het de
beweging voor het kind gemakkelijker en voorkomt, dat deze bewegingen
al te pijnlijk voor de moeder zouden zijn.
_Fig. 12 a_ tot _i_ stellen de verschillende ontwikkelingsstadia
voor van een menschelijk ei van ongeveer de 2de week tot het einde
der 8e week na de bevruchting. Tot zoolang is er nog geen verbeening
in de weefsels van de vrucht te constateeren. Daarna begint in de
9e week langzamerhand de vorming der beenderen tot stand te komen en
scheiden zich de vingers en teenen. In de 13e tot de 16e week kan men
het geslacht van het toekomstige kind reeds bepalen. In de 17e week
beginnen de haren op het hoofd en de zachte wollige haartjes van de
huid te groeien. De moeder voelt dan reeds de bewegingen van de vrucht.
Een vrucht, op het einde der 24e week ter wereld gebracht, kan reeds de
ledematen bewegen en flauw ademhalen. Zij sterft echter zeer spoedig.
In de 26e tot 28e week zijn de oogleden gescheiden en kunnen geopend
worden. De huid is dan rood en gerimpeld, het vruchtje nog mager. De
mogelijkheid bestaat, dat het dan buiten het moederlijk lichaam in
leven kan blijven, maar in den regel gaat het dood.
Vruchten, die op het einde der 32e week geboren worden, kunnen bij
zorgvuldige verpleging in het leven blijven, doch de levenskans is
gering. De huid ziet nog rood en rimpelig. De nagels op vingers en
teenen beginnen reeds te verhoornen.
In de 34e tot 36e week is de vrucht reeds minder mager en de
lichaamsvormen daardoor ronder. Onder gunstige omstandigheden blijft
het op dit tijdstip geboren kind in leven, alhoewel de sterftekans
veel grooter is dan van de voldragen vrucht.
In de 37e tot 40e week verdwijnt langzamerhand het wolhaar van de
huid en wordt deze blank; de haren van het hoofd daarentegen groeien.
De vrucht neemt natuurlijk van het begin tot het einde der zwangerschap
in lengte en gewicht toe. Op het oogenblik van de geboorte is zij
ongeveer een halven meter lang en 3 à 3 1/2 kilogram zwaar.
De ruimte in de baarmoederholte is niet groot genoeg om de vrucht
een gemakkelijke houding te verschaffen. Deze is gedwongen zich te
behelpen en zoo te gaan liggen, dat zij de kleinst mogelijke ruimte
inneemt. Daarom kromt zij den rug sterk naar voren, legt de kin op
de borst, trekt de beenen tegen den buik, buigt de knieën, en legt de
onderbeenen met de voeten gekruist en met de hielen naar onderen. De
bovenarmen worden tegen de borstkas gedrukt, de onderarmen en handen
over de borst gekruist. In de ruimte, die tusschen armen en beenen
vrij blijft, vindt dan de navelstreng een plaats. _Fig. 13_.
Het hoofdje ligt daarbij meestal naar onderen, de rug naar voren,
eenigszins links of rechts en de billen en voeten naar boven
gekeerd. Dit is de meest voorkomende ligging van de vrucht op het
einde der zwangerschap, doch talrijke afwijkingen doen zich voor.
Gedurig tracht de vrucht haar ongemakkelijke houding te veranderen,
een verandering, die bijna altijd gering en snel voorbijgaande is,
waardoor dan de kleine, stootende bewegingen veroorzaakt worden,
die door de moeder als »het leven van het kind« worden gevoeld.
Op het einde van de 40e week drijft de moeder de vrucht uit de
baarmoederholte door het halskanaal van de baarmoeder en door de
scheede naar buiten.
De uitdrijving, de baring, komt tot stand door samenwerking van twee
verschillende krachten. Deze vinden haar oorsprong in samentrekkingen
van den baarmoederwand, die wegens de daardoor veroorzaakte pijn als
»weeën« worden aangeduid, en in samentrekkingen van buikspieren en
middelrif, die als »buikpers« dienst doen.
De weeën volgen elkander met korte tusschenpoozen op. Zij zijn in den
aanvang zwak en de pijn gering, doch hoe verder de baring vordert,
des te krachtiger en pijnlijker worden zij. Dan komt ook de buikpers
onwillekeurig in werking en helpt krachtig mede aan de uitdrijving
van de vrucht. Eerst komt het hoofd naar buiten, daarna met een paar
volgende weeën gewoonlijk het overige gedeelte van het kind.
Na de geboorte wordt de navelstreng met bandjes dichtgebonden
en doorgeknipt. Spoedig volgen dan eenige samentrekkingen van de
baarmoeder en worden de moederkoek en de eivliezen (de nageboorte)
uitgedreven.
Zoodra het kind geboren is, verkondigt het zijn intrede in de wereld
door eenige flinke schreeuwen. Met dit schreeuwen vangen tevens de
eerste ademhalingsbewegingen aan.
Het eindje navelstreng, dat aan zijn lichaam is blijven hangen,
verdroogt spoedig en valt na 4 of 5 dagen af.
Onmiddellijk nadat de nageboorte is uitgedreven, beginnen de
geslachtsorganen tot den toestand terug te keeren, waarin zij zich
vóór de zwangerschap bevonden. Bij vrouwen, die het kind zoogen,
maken de borstklieren hierop een uitzondering. Eerst ongeveer 6 weken
na de bevalling is de vroegere toestand, met uitzondering van de
hiervoor reeds genoemde blijvende verandering van sommige organen,
weder teruggekeerd.