1) macht 2) niet meer geacht 3) evenwel 4) gestijfd

[p.118]

155 Dit wert van stonden aen den ridder aengeseyt,

En hem tot groot geluck en voordeel uytgeleyt.

Hem dunckt, dat lucht en windt, ja son en hare stralen,

Hem eer of hulde doen, en op hem nederdalen.

Dit was soo bijster vast den joncker ingebeelt,

160 Dat hem dit evenstaegh ontrent de sinnen speelt;

Doch hoe het wesen magh, men heeft wel haest bevonden

Dat in den hemel selfs sijn saken qualijck stonden;

Want schoon hy sich vermat te schouwen 1) alle druck,

Soo trof hem lijckewel een grousaem ongeluck;

165 Want seker machtigh prins, op hem van oudts gebeten,

En die sijn wrangen haet niet kond' of wou vergeten,

Die vingh hem met bedrogh 2), eer hy het recht bedacht,

En heeft na groot verdriet hem schendigh 3) omgebracht.

Maer wat mocht desen mensch soo bijster seer verlangen

170 Na d' uytkomst van den droom? hy wert eylaes! gehangen;

Den droom werd waer gemaeckt en tot het licht gebracht,

Maer op een ander wijs als by hem was gedacht.

Ick hebbe dit verhael in mijne jeught gelesen,

175 En 't heeft my nu gedacht hier nut te sullen wesen,

Op dat het blijcken mocht dat vreught en staegh geluck

By-wijlen wert verkeert in ongemeenen druck.

Jacob Cats · 第 85 / 86 题