[p.117]
Schoon ick een kroone draegh, uw gantsch rampsaligh lot
Is buyten mijn geweldt 1), en boven mijn gebot.
Al sijn wy (soo het schijnt) als Goden bij de menschen,
130 't En gaet ons echter niet gelijck ons sinnen wenschen.
Wat ons van boven af den hemel nedersent,
En kan door onse macht niet werden afgewent.
Ick heb u langh betrout oock al de grootste saken,
Die my niet slechts alleen, maer oock de kroone raken.
135 Ghy waert my in het rijck gelijck een met-gesel,
Maer dat is nu voorby, dus vaert voor eeuwigh wel!
Maeckt, maeckt u vaerdigh wegh!" het woort is nau gesproken,
De man is wan-gesien 2), sijn vrientschap afgebroken,
Sijn gunst in haet verkeert, sijn vrydom opgeseydt,
140 En hy dien eygen stondt ter poorten uytgeleydt.
De ridder, gantsch bedwelmt van soo een selsaem wesen,
Nam dit gelijck een storm in haesten opgeresen,
Hy meynt, dat hem de slagh ontstopt uyt sware nijt,
Die veeltijts in het hof met felle tanden bijt.
145 Noch gaf hy lijckewel 3) sijn hoope niet verloren,
Hem docht dat hy alleen tot voorspoet was geboren;
Daer was een dingh gebeurt, waer door sijn dom gemoet
In desen vreemden luym noch meer wert aengevoet 4):
Sijn dochter had gedroomt (het dient hier oock geweten)
150 Oock doen hy in het hof vol weelde was geseten,
Het scheen, in haren slaep, dat hem den hemel wies,
En dat een koude wint hem om de leden blies;
Noch scheen hy van de son oock dese gunst te krijgen,
Dat hem een vette salf quam van de leden sijgen.