1) grillen 2) boos maak 3) eigendom van 4) na 5) juist

[p.115]

70 Maer siet, de visscher riep: "de visch is niet te koopen;

Dit is soo schoonen vangh als ick mijn leven sagh,

Die noyt gemeene man voor spijse nutten magh.

Komt, leyt my by den Vorst, ick wil den koninck schencken,

Daer by men langen tijt een zee-man magh gedencken.

75 Want als ick desen visch op gister avond vingh,

Vernam ick naer gewoel, dat vry wat selsaem gingh:

Mijn schip dat gaf een krack, en scheen te willen splijten,

My docht, dat eenigh spoock daer op bestont te smijten

De nimphen van de zee die sprongen uyt het diep,

80 Het scheen dat Thetis 1) selfs haer tot den handel riep.

Ick sagh noch onder dies 2), te midden in de baren,

Dat veel ontrent het werck niet eens gesint en waren:

Een deel wou desen visch noch houden in de zee,

Een ander scheyd' hem af van al 't beschubde vee.

85 Wat dit beduyden mach en weet ick niet te seggen,

Die wijser sijn als ick, die mogen 't overleggen;

Dit gaet ten minsten vast, dat hier wat anders is,

Als bot, of kabelliau, of maer een slechter vis."

Al wat de visscher sprack, dat schijnen losse grillen,

90 En veel die niet een woordt hier van gelooven willen;

De visch was evenwel den koninck aengenaem:

Dat nieuw of selsaem schijnt is voor het hof bequam.

Waerom hier op gestaen? de visscher wert beschoncken,

En straeks wordt om het gelt een bly gelach gedroncken;

95 Maer op de staendevoet soo wort den visch ontweyt 3),

En voor het middagh-mael in aller ijl bereydt.

1) zeegodin, moeder van Achilles 2) onderwijl 3) van

de ingewanden ontdaan

[p.116]

De koninck is belust het beest te sien ontleden,

Omdat het selsaem was van boven tot beneden,

Daer liep een yeder toe; maer siet, een wonder dingh!

100 Te midden in den rop 2) daer stack een gouden ringh!

Daer riep al wie het sagh: ey! dit sijn vreemde saken!

Maer stracks soo liet de vorst het kleynoot suyver maken,

En als de vuyle slijm is van den ringh gedaen,

Soo liet de jonghe prins 3) hier op sijn ooghen gaen.

105 Daer wordt de steen gekent, daer roepen al de luyden;

Siet daer een wonder stuck! wat magh'et doch beduyden?

De koninck sagh het aen, maer is geheel ontstelt,

Om dat 'et (soo hy meynt) sijn lieven ridder gelt.

En als hy langen tijt hier op had sitten malen 3),

110 Soo riep hy wacker volck, en liet den joncker halen;

Hy seydt hem: "waerde man, ick ben geheel bedroeft,

Om dat ick uwen staet ten vollen heb beproeft.

Ick voel, als metter handt, dat u de Goden haten,

Want u naeckt groot verlies, na soo veel groote baten;

115 Dit sulje niet ontgaen, dat houd' ick voor gewis,

Want dit verstaet men selfs van desen stommen visch.

Ick sie voor u bereydt soo ongemeene slagen,

Dat ick 't gesicht alleen onmachtigh ben te dragen;

En daerom is 'et best dat ghy mijn hof verlaet,

120 En, buyten mijn gebiedt, in vreemde landen gaet.

Met ongeluckigh volck sijn staet te willen mengen,

Plagh groote prinssen selfs in ongemack te brengen.

't Is seker, waerde vrient u naeckt een droeve tijt,

En wat bouvalligh is behoort te zijn gemijt,

125 Het is een droeve smert, die niet en is te stelpen,

Een vrient in noot te sien, en niet te konnen helpen.

Jacob Cats · 第 83 / 86 题