[p.114]
40 Neemt dit van mijner handt als tot een offer-werck;
Ick ben wel onderricht dat ghy hebt vreemde rancken 1),
Daer uwe vrienden selfs haer weynigh af bedancken.
Ick bidde, keert u om, en soo het mach geschien,
Laet my uw kalen neck, en niet uw voor-hooft sien.
45 Uw schoon gekrinckelt hayr, daer by ghy sijt te vatten,
Waer in de volheyt is van alle rijcke schatten,
Geeft my dat voortaen niet, maer aen een kalen bloet,
Die u door sijn gebedt een stagen offer doet.
Een yeder roept u aen tot hem te willen komen,
50 Maer ick, opdat uw gunst van my mocht sijn genomen:
Ghy, treet mijn huys voorby, of houdt uw beurse toe,
Want ick en wil u niet, maer ben uw segen moê.
Ick weet dat mijn versoeck u selsaem schijnt te wesen,
Mits ghy om 't tegendeel van yeder sijt gepresen:
55 Ick weet dat ghy my schat òf dul òf bijster geck,
Om dat ick u verbelch 2), en hoop op uw vertreck;
Ick ben hier, toe gebracht door uwe vreemde kuren,
Die ick als 't wesen mocht, wel niet en wou besuren.
Ick ben wel onderricht dat ghy vol grillen sijt,
60 En schoon ghy somtijts kust, dat ghy oock dapper bijt."
Daer sweegh de joncker stil, maer sijnde t' huys gekomen,
Soo heeft men dit bedrijf door al het hof vernomen;
Het doet al wie het hoort, doch meest de juffers wee,
Dat soo een puyck-juweel is eygen aen 3) de zee.
65 Siet, naer 4) een korten tijt, soo heeft men daer vernomen
Dat even 5) in de stadt een zee-man was gekomen;
Een zee-man die 'er bracht een ongemeenen visch,
Die niet en scheen te sijn als voor eens koninx disch.
Hier quamen metter daet veel menschen toegeloopen,