[p.113]
Sondt hy een schip ter zee, het keerde wel geladen,
10 Ja, kond' op eene reys een gierigh 1) hert versaden;
Hoewel hy buyten tijts in dorre gronden zaeyt,
Men vint dat hy gestaegh gewenschte vruchten maeyt;
Wil hy een harder sijn van schapen, geyten, koeyen,
Men siet een kleynen hoop tot groote kudden groeyen;
15 Indien hy met een kaert of met een teerlingh 2) speelt,
Het schynt dat sijn geluck een yeders beurse steelt;
En, waerom langh verhael? al wat hy magh beginnen,
Dat heeft als vollen macht om gelt en goet te winnen.
Het scheen dat al het luck 3) naer hem te poste liep:
20 Sijn net (gelijck men seyt) dat vingh oock als hy sliep.
Als dit de vorst vernam, hy stont geheel verslagen
Van soo een staegh geluck, en soo veel schoone dagen;
Hy sprack de joncker aen, en seyde! "lieve vrient,
't Geluck heeft u te langh en al te veel gedient;
25 Ick hebbe dit geleert uyt wyt beroemde boecken,
Dat yemant, dus gestelt, het onheyl dient te soecken;
Want soo dit lange duert, daer is geen twijffel aen,
Het wispelturigh radt sal anders ommeslaen."
De ridder was met sorgh 4) hier over gantsch beladen,
30 En stelde flucx te werck al wat hem was geraden;
Hy droegh een rijcken steen, smaragdus is de naem,
Verheven over-al door vleugels van de faem.
Het was een selsaem stuck: by lichte was het duyster,
En in de swarte nacht soo gaf hy schoone luyster.
35 De joncker voer in zee, daer 't water 't hooghste liep,
En gooyd' het schoon juweel te midden in het diep.
"Godinne (sey de man) die al de menschen streelen,
Siet daer het schoonste stuck van alle mijn juweelen,
Uw gunst is my te groot, uw zegen al te sterck,