Een prinsse die het rijck, dat Nylus 2) overstroomde,
Met konincklijcke macht voor desen eens betoomde 3),
Hadt in sijn hofgesin een aengenamen vrient,
Door wien hy in den raedt en elders was gedient;
5 Men kende niet een mensch, die in sijn gantsche leven
Door soo een staegh geluck geduerigh wert verheven;
Geduerigh over-al in voorspoet hooger klam,
Soo dat het segen scheen al wat hy ondernam: