1) tot de zaak 2) houding 3) waar

[p.106]

Ey, gaet een sachter wegh, en laet u noch bewegen,

Of ick ben tot het graf van heden aen genegen;

55 Niet soeter als de doot voor een, die vierigh mint,

En die voor sijnen loon geen troost met al en vint."

De vrijster stont en loegh 1) om al dit vinnigh spreken,

En seyde: "Lieve vrient, dit zijn maer vryers treken,

Maer rancken 2) van de jeught; die ben ick al gewent,

60 En hebbe dat bedrogh al over lang gekent.

Soo haest een jonge wulp 3) maer eens bestaet te minnen,

En dat'et niet en gaet na sijn verwaende sinnen,

Soo roept hy, naer het schijnt, als uyt sijn diepste noot,

En wil van stonden aen sich geven aen de doot.

65 Hy wil door enckel leet, of uyt een diep verlangen,

Sich by de vrijsters deur of voor haer venster hangen:

Maer 't is maer schrale wint, en niet als loos beleyt;

Komt segh: wie doet 'er eens wat dickmael is geseyt?

'k En acht geen vrijster wijs, die om de malle grillen

70 Haer voeght in dit geval gelijck de linckers 4) willen:

'k En ben soo schotigh 5) niet, noch van so lossen aert,

Want van een kleyn gerucht en was ick noyt vervaert.

Leander, zijt ghy wijs, verlaet uw slimme lagen;

Het wilt dat ghy vervolght, en is niet soo te jagen.

75 Ick segh in tegendeel: al wie met dreygen vrijt,

Die is van stonden aen mijn gunst en liefde quijt."

"Hoe," seyt de jongelingh, "sout ghy voor linckers schelden,

Die uyt een trou gemoet haer liefde komen melden?

1) stond te lachen 2) grillen 3) jonge man 4) schalken

5) toeschietelijk

[p.107]

Meynt ghy, dat ick met list en veynsen omme-ga?"

80 De vrijster wederom: "Voor my, ick segge ja."

"Dat sul je metter daet wel anders ondervinden,

Als my de bleecke doot de leden sal ontbinden;"

Beet haer de vryer toe en, met een kort besluyt,

Seyt haer: "vaert eeuwigh wel!" en flucx ten huysen uyt.

85 Hy gaf hem aen de gracht, en sey noch anderwerven,

"Wel, sal ick uwe zijn of sal ick heden sterven?

Spreeckt nu het beste woort, ick sta hier, schoone maeght,

En sal op heden zijn gelijck het u behaeght;

Wat seghje?" "Dat ick plagh," roept hier de vrijster tegen,

90 "Geen list, geen slim bedrogh en sal mijn hert bewegen."

Hy weder met een sucht: "Als 't immers 1) wesen moet,

Daer mede 2) ben ick doot; vriendinne, weest gegroet,

En dat voor alle tijt. O God! wilt my vergeven,

Dat ick een eynde maeck aen dit ellendigh leven."

95 Het woort is nau geseyt, hy stort met alle macht

Een steen daer toe bereyt te midden in de gracht,

En, om met beter schijn syn list te mogen drijven,

Hy laet daer op de brugh sijn hoet en mantel blijven,

En dichte by de wal daer swour sijn ommeslagh 3),

100 En hy flucx uyt de weegh, soo vaerdigh als hy magh.

Met dat de vrijster hoort de quis-quas in de stroomen,

Sy kan haer teer gemoet, haer sinnen niet betoomen;

Sy liep in grooten anghst tot aen de water-kant,

Daer sy alleen den hoet en synen mantel vant.

Jacob Cats · 第 74 / 86 题