onlanghs voor-gevallen.
Of liefde list gedooght, en of een wettigh minnen
Mach worden uytgevoert door afgerechte 2) sinnen,
Door lagen, door bedrogh, of ander slim beleyt,
Dient heden ondersocht, en hier te zijn geseyt.
5 Maer om met beter gront hier van te mogen spreken,
En recht te mogen gaen in dese slimme treken,
Soo leest, voor alle werck, en weeght my dit geval,
Dat ick hier door de pen aen Hollant schencken sal:
Leander, uyt-genoot by soete 3) jonge lieden,
10 Gingh daer de jeught 4) hem leyt, en na de sinnen rieden.
Syn oogh viel op een maeght, die ick in dit geval
Den naem van Rosemont op heden geven sal:
Hy was een rustigh 5) quant, en sy van schoone leden,
Sy eerbaer van gelaet, hy geestigh in de reden;
15 Haer ouders zijn gelijck en van gemeene stof,
Leander lijckewel die slingert naer het hof 6).
Hy had een wijl gereyst, en in de vreemde landen
In alderley vermaeck verspilt sijn beste panden;
De boecken die hy kocht en by hem had vergaert,
20 Die had hy wonder lief, maer al te veel gespaert.
De soete Rosemont was, boven eyge baten 7),
Van seker pete-meuy een rijeken boel gelaten;
Dit gaf haer schoonheyt glans, en by haer roden mont
Soo was 't, dat even hier Leander smake vont.
1) Hollandsch 2) uitgeslapen 3) aardig 4) zijn jonge
jaren 5) flink 6) deed alsof hij van den hoogsten stand
was 7) behalve eigen inkomsten
[p.105]
25 Hy wort daer toe geneyght, als met geheele sinnen,
Om sijne Rosemont voor hem te mogen winnen;
Hy dede wat hy kond', oock met sijn gansche kracht,
Maer kreegh het voordeel niet, dat by hem was gewacht.
By wijlen schijnt de maeght tot hem te zijn genegen,
30 En op een ander tijt is sy hem bijster tegen;
Want als hy om het stuck 1) en om het jawoort quam,
Dan was 't dat sy terstont een ander wesen 2) nam.
Hy quam eens op een tijt en woude troost verwerven:
"Of anders," seyt de quant, "soo moet ick heden sterven;
35 Ick wil van stonden aen gaen springen in de gracht,
Vermits ghy mijn verdriet en trouwen dienst veracht;
En als mijn droeve ziel dit lichaem sal verlaten,
Dan sal u voor gewis de gansche werelt haten,
En spreken over u dit hart en vinnigh woort:
40 Dat ghy uyt wreeden aert een vryer heb vermoort.
Dan sal de soete jeught u met de vingers wijsen,
En laken uw bedrijf, en mijn getrouheyt prijsen:
Oock salder op mijn graf een vaers gehouwen staen,
Dat sal u, maer te laet, tot in de ziele gaen:
45 Hy die hier binnen rust, schoon hem de vrijsters minden,
Wist daer 3) hy ruste socht sijn ruste niet te vinden;
Sijn liefd' is trou geweest, en uyter maten groot,
Maer die sijn leven was, die gaf hem aen de doof.
Nu segh my, Rosemont, hoe sal u dat gelijcken,
50 Dat ghy door al het lant, door alle Koninghrijcken,
Door al wat werelt hiet, sult eeuwigh zijn vermaert,
Niet om uw soet gelaet, maer om uw fellen aert?